Feestgedrang

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Het is de feestmaand en dat betekent dat de reclamecampagnes van verschillende godsdiensten in volle hevigheid zijn losgebarsten. Ook bij de beugeldokter. Na haar controle mag mijn dochter altijd iets uitzoeken. In het mandje op de balie liggen nu geen potloden, nagelvijltjes en plakplaatjes, maar een vilten rendier, een plastic Kerstman die „ho, ho, ho” zegt als je op zijn buik drukt, een papieren Kwanzaa-kandelaar en vierkante houten blokjes met een ronde top.

„Wat zijn dat?”, vraagt mijn dochter aan het meisje achter de balie, terwijl ze een blokje nieuwsgierig op de muis van haar hand balanceert.

„Dat is een dreidel”, zegt het meisje. Ze pakt hem tussen duim en wijsvinger en laat hem rondtollen. „Hier spelen kinderen mee tijdens Chanoeka”, legt ze uit. „Dr. Epstein is Joods, vandaar.”

Mijn dochter draait ook een tolletje rond. Als we weg willen lopen, zegt ze opeens: „Jullie zijn Jezus vergeten.”

Het meisje draait zich om naar de stal achter de balie. Herders en schapen staan tussen de papieren krullen. Achterin de drie koningen. Jozef en Maria staan verwachtingsvol over de krib heen gebogen met de hete adem van de os en de ezel in hun nek. De krib is leeg.

„Jezus ligt in de bureaula van Dr. Elkin”, zegt het meisje. „Die mag er pas op Eerste Kerstdag uit, als hij geboren wordt.”

Mijn dochter knikt begrijpend. „Happy Hanukkah”, zegt ze als ze wegloopt, drie tolletjes in haar hand geklemd. Eenmaal buiten zie ik de metershoge menora met de elektrische kaarsen. Er branden er twee.

Amerikanen steken hun geloof niet onder stoelen of banken, zeker niet in december. Waar tijdens de politieke campagnes alle voortuinen versierd zijn met verkiezingsposters, de een nog groter dan de andere, is het nu de vraag wie met de grootste en kleurigste feestsymbolen op de proppen komt. Als we onderweg naar huis bij een verkeerslicht stilstaan, zie ik een opblaasbare kerstman hoog in de lucht zweven. Met enorme kabels is de ballon in de grond verankerd. Hij glanst en glimt in het rode licht dat op hem gericht is.

„Ho, ho, ho”, zegt mijn dochter. „Santa, waar is je rendier?” Lang hoeven we niet te wachten. Een paar huizen verderop staat een leger lichtgevende rendieren voor hun arrenslee. De voorste verdwijnen langzaam de hemel in, als een jacobsladder. In de volgende straat reikt een menora nog hoger.

Bij al dit feestgeweld is het belangrijk politiek correct te zijn. Je weet namelijk nooit welk feest gevierd wordt. Dus beslist geen Merry Christmas, maar Season’s Greetings of Happy Holidays. In het Roermond waar ik opgroeide was vrijwel iedereen katholiek. Dus ’s avonds naar de mis en overdag levende kerststallen bekijken. Je wenste iedereen zalig kerstfeest. De enige uitzondering op dit alles waren de Joodse nichtjes in mijn klas, Sally en Mirjam. Als wij naar de kerk gingen deden zij iets anders. Wat precies werd me nooit helemaal duidelijk.

Die avond zit ik aan bij een groot diner. De zaal is versierd met kerstballen en rode linten. Veel disgenoten dragen een keppeltje. Het is vandaag de eerste dag van Chanoeka. Sommigen hebben zelfs in een plastic tas hun eigen koosjere maaltijd meegenomen. Ik werp een blik op het menu. Het voorrecht is varkenspaté. Het hoofdgerecht wild zwijn. De zaal raakt in rep en roer. Met een vuurrood hoofd en hevig zwetend stormt de chef de keuken uit. Dit wordt een lange avond.