Beperking topsalaris eerder populistisch dan praktisch

Joe Cocker

Opnieuw een barst in de coalitie: de VVD-fractie in de Eerste Kamer stemde gisteren tegen een wetsvoorstel dat de topsalarissen in de (semi)publieke sector verder beperkt. Anders dan vorige week, toen drie van de veertien PvdA-senatoren doorslaggevend waren bij het torpederen van een nieuwe zorgwet, bleef de opstandigheid van een regeringspartij voor het kabinet ditmaal zonder schade. Een meerderheid van de senaat, die door absentie van ChristenUnie, SGP en PvdD incompleet was, steunde het voorstel van minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) wel.

Dat opnieuw een (deel van een) regeringspartij zich heeft gekeerd tegen een afspraak uit het regeerakkoord van VVD en PvdA, onderstreept nog eens dat Eerste Kamerfracties zich hieraan niet hebben gecommitteerd. Het komt de cohesie in de coalitie niet ten goede.

Inhoudelijk is er veel te zeggen voor het standpunt dat VVD, en ook CDA, D66 en OSF, in de Eerste Kamer innamen. De Wet normering topinkomens is pas in 2013 in werking getreden en wordt nu al gewijzigd, zonder dat daar een plausibele reden voor is. De wijziging komt erop neer dat het maximale jaarinkomen wordt verlaagd van 130 naar 100 procent van een ministerssalaris. In geld: 178.000 euro inclusief belaste onkostenvergoedingen en pensioenbijdrage.

De norm van 130 procent werd indertijd afgesproken in de veronderstelling dat het ministerssalaris zou stijgen. Verhoging van deze bezoldiging was ook het advies dat een commissie, onder leiding van oud-minister Dijkstal, al tien jaar geleden had uitgebracht.

Het is er helaas nooit van gekomen, niet in de laatste plaats omdat geen kabinet het aandurfde dit vermoedelijk impopulaire besluit te nemen. Populisme is hier de verpakking van de angst voor de stem van het volk.

Dat er enige beheersing mag worden gevergd van sectoren die met belastinggeld of ander maatschappelijk kapitaal opereren, spreekt vanzelf. Bijvoorbeeld het wangedrag van directeuren bij enkele woningcorporaties heeft bepaald bijgedragen aan de politieke stemming dat ingrijpen noodzakelijk was. Maar de wetgever slaat nu door. Instellingen als (grote) ziekenhuizen moeten voor hun bestuur topmensen kunnen aantrekken en dus de gelegenheid hebben om op zijn minst enigszins arbeidsvoorwaarden te bieden waarmee ze de concurrentie met de vrije markt kunnen aangaan. Het is ook een maatschappelijk en dus politiek belang dat de best mogelijke man/vrouw op zulke verantwoordelijke posities wordt benoemd.

Ergens weten de minister en het parlement dat ook wel. Want de wet maakt bij wijze van uitzondering doorbreking van het salarisplafond voor personen, en ook groepen, toch mogelijk. Overzichtelijker wordt het zo niet. Noem het een onpraktische wet.