Ambacht overal populair, maar Dekker weet er geen raad mee

Staatssecretaris ziet een dubbelfunctie voor vmbo, maar vbo en mavo hadden nooit op een hoop gegooid mogen worden, meent Leo Prick.

Staatssecretaris Dekker stuurde de Kamer een brief waarin hij uitlegt hoe hij het vmbo „toekomstbestendig” wil maken. Hij ging te rade bij het verleden. Om plaatselijke bedrijven zoals scheepswerven van technisch geschoold personeel te voorzien, werd in 1861 in Amsterdam de eerste ambachtsschool opgericht. Omdat ook nu nog leerlingen met een vmbo-opleiding voor het overgrote deel komen te werken in de buurt waar ze zijn opgegroeid, wil de staatssecretaris ook nu weer een duidelijke aansluiting van het beroepsonderwijs bij de behoeften van het plaatselijke bedrijfsleven.

Sedert de afschaffing van de ambachtsschool is de aandacht voor beroepsgerichte vakken in het vbo, het voorbereidende beroepsonderwijs, steeds verder afgenomen, uiteindelijk uitmondend in een zwak aftreksel van de mavo met handenarbeid. Daar is niemand, leerling, noch school, noch bedrijfsleven, gelukkig van geworden. Commentatoren legden Dekkers voornemen uit als een terugkeer naar de in 1968 afgeschafte ambachtsschool en hoewel terugkeer naar het oude niet de glans heeft van „toekomstbestendig”, toont iedereen zich gelukkig met Dekkers rehabilitatie van de praktijkvakken.

Nadat de staatssecretaris deze lovenswaardige ingreep heeft toegelicht, vervolgt hij zijn brief met de volgende mysterieuze tekst: „Het vmbo heeft in mijn ogen een dubbelfunctie: voorbereidend beroepsonderwijs èn voorbereidend algemeen vormend onderwijs. En in het verlengde daarvan zie ik twee belangrijke vraagstukken die om een heldere aanpak vragen: hoe bieden we de kwetsbaarste leerlingen in met name de basisberoepsgerichte leerweg kansen in het vervolgonderwijs èn op de arbeidsmarkt? En hoe kunnen leerlingen in met name de gemengde en theoretische leerwegen een passende keuze maken voor een vervolg op het mbo of doorstromen naar het havo? Deze dubbelfunctie levert een zekere spanning op voor vmbo-scholen, èn het biedt extra kansen aan de meest kwetsbare leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het vmbo biedt immers mogelijkheden voor leerlingen die met achterstand in het vmbo instromen.”

Geen touw aan vast te knopen. Logisch, want het schooltype waar Dekker het over heeft, bestaat niet. Het gaat niet om een dubbelfunctie maar om de functies van twee volslagen verschillende schooltypen, namelijk vbo en mavo. Ooit werden ze door staatssecretaris Netelenbos samengevoegd omdat zij dacht daarmee het indertijd noodlijdende vbo van de ondergang te redden. Inmiddels is er veel veranderd. De waardering voor vakkennis, voor ambachtelijke, beroepsmatige vaardigheden is sedertdien duidelijk toegenomen. Daarvan getuigt de populariteit van de vakcolleges, door Binnenlands Bestuur aangeduid als ‘ambachtsschool nieuwe stijl’. De mavo als onderdeel van een beroepsgerichte opleiding werkt al lang niet meer statusverhogend. Vandaar ook dat de mavo’s zich steeds meer een vreemde eend zijn gaan voelen in de steeds beroepsgerichtere vmbo-bijt en er veelal voor kiezen verder te gaan als zelfstandige mavo of als onderdeel van een school waar, getuige de Mammoetwet, dit schooltype ook thuishoort: een school voor mavo, havo en vwo.