Zorgcrisis was vooral machtsstrijd

Alle morele boosheid over de Kerstcrisis ten spijt, het was een strijd om de macht.

Foto ANP

Alle kampen bleven de afgelopen dagen boos op elkaar, na de bijnacrisis van het kabinet-Rutte II over het inperken van de vrije artsenkeuze. Ze verweten elkaar schandalig, immoreel en ondemocratisch gedrag.

Wat al morele boosheid verhulde, was dat hier simpelweg een strijd om macht werd gevoerd – compromislozer en dus zichtbaarder dan gewoonlijk in de Nederlandse verhoudingen.

De coalitietop van VVD en PvdA en commentatoren verwierpen het gedrag van drie PvdA-senatoren. Die drie torpedeerden een wetvoorstel dat als doel had de zorgkosten minder snel te laten groeien door burgers met goedkopere polissen in sommige gevallen niet meer de ziekenhuiszorg te geven die ze het liefst zouden willen. Tegenstemmer Adri Duivesteijn, want om hem ging het vooral, overtrad in de ogen van zijn critici de grenzen van wat voor een lid van de Eerste Kamer betamelijk is. Hij verzette zich immers niet tegen het voorstel vanwege de gebrekkige kwaliteit van de wetstekst – de taak van de chambre de réflexion – maar omdat het plan hem niet sociaal-democratisch genoeg was. En daarmee negeerde hij de wil van de Tweede Kamerleden van zijn partij die anders dan hij wél een direct mandaat van de kiezers hebben. Die hadden juist vóór het plan gestemd.

Oppositiepartijen in de Tweede Kamer en andere commentatoren waren vooral boos dat de coalitie als reactie een plan maakte om de weerstand in de Eerste Kamer te omzeilen. Het kabinet zal de zorgplannen in het uiterste geval verpakken in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) – een wettelijk instrument waar de senaat niet aan te pas komt. Deze route was een „minachting van het parlement”, om een van de vriendelijkste kwalificaties te noemen.

Maar er is ook een ander perspectief dan verontwaardiging. Namelijk dat van politici die met de macht die ze hebben, hun doel nastreven.

De minimale meerderheid die de coalitie met drie constructieve oppositiepartijen in de Eerste Kamer heeft, verschafte Duivesteijn de macht om voor hem onaanvaardbaar beleid tegen te houden, of om een door hem gehate coalitie en PvdA-leider te beschadigen – dat is niet helemaal duidelijk. En die macht gebruikte hij. Zijn stem is nu eenmaal van hem alleen, niet van de partij of de coalitie.

Hun meerderheid in de Tweede Kamer biedt VVD en PvdA de macht om de in hun ogen belangrijke wijziging van het zorgstelsel buiten de Eerste Kamer om door te voeren – en daarmee de eigen politieke toekomst te redden. Tegenstanders omschrijven de AMvB als een soort duivelse truc, maar het is een vrij veel gebruikt instrument om een wet buiten het parlement om aan te passen of van de nodige details te voorzien.

Het kabinet schrijft een AMvB, met als enige beperking dat de wet zelf bepaalt of je zo’n AMvB mag gebruiken en wat je er wel of niet in kunt regelen. De cruciale vraag is dus of de Zorgverzekeringswet de ruimte biedt om de vrije artsenkeuze via een AMvB verder in te perken. Het is uiteindelijk de rechter die besluit of de AMvB binnen de grenzen blijft van de Zorgverzekeringswet.

De vraag of het kabinet ‘te ver’ gaat, heeft dus geen moreel antwoord. Het is een kwestie van uitleg van de wet – die niet op voorhand evident is. Een voorbeeld: volgens het kabinet wordt de artsenkeuze niet beperkt, maar kunnen verzekerden een korting op hun zorgpremie krijgen als ze die artsenkeuze (deels) zelf opgeven.

Uiteindelijk vertoonden beide kampen hetzelfde gedrag: (te) weinig talent voor het compromis, een afgenomen tolerantie voor de eigen nederlaag en een bereidheid de grenzen van het stelsel op te zoeken. Het is een politieke houding die overigens grote nadelen heeft in een systeem waar je steeds meer politieke partijen nodig hebt om een coalitie te bouwen.