We gaan fietsen in de winter, autorijden in de zomer

Vervoersgeograaf onderzocht de invloed van de klimaatverandering op het vervoer in 2050.

Foto ANP

We gaan meer fietsen in de winter en minder in de zomer. Althans in de Randstad. Door klimaatverandering worden de zomers heter en natter, waardoor we dan vaker de auto pakken. In de zachtere winters gaan we juist meer fietsen.

Dat concludeert vervoersgeograaf Lars Böcker, die vrijdag in Utrecht promoveerde op de relatie tussen weer, emoties, ruimtelijke omgeving en mobiliteitskeuzes.

Klimaatverandering is de afgelopen jaren een belangrijk thema geworden in het vervoer.

„Het ziet ernaar uit dat we vaker en verder gaan fietsen in de Randstad”, zegt Böcker. Dat beïnvloedt met name het autogebruik. Het fietsaandeel in het totale vervoer neemt op termijn met 1,3 procent toe, het aandeel van de auto daalt juist met 1,1 procent.

Maar, zegt Böcker, het verschilt per seizoen. Hij onderzocht wat de effecten zijn van het huidige klimaat en de KNMI-verwachting voor 2050 op recente mobiliteitsdata. „Daaruit blijkt dat we in 2050 meer gaan fietsen in mildere en enigszins nattere winters en minder in de zomer, door de hittetoename en extremere neerslag. Daardoor zullen we vaker de auto gebruiken.”

Böcker keek ook naar onze emoties onderweg. Hoe warmer en kalmer het weer, hoe vrolijker we worden. Dat klinkt logisch, maar in de wetenschappelijke wereld was daar nog weinig onderzoek naar gedaan. Zonnig weer is fijn, maar „zodra het boven de 25 graden Celsius wordt, neemt de irritatie toe en zien we het fietsen afnemen”. Een ander effect: door kou, regen en wind ervaren mensen hun omgeving onderweg als minder mooi, levendig en gemoedelijk. Bij vrouwen en ouderen is dat effect het sterkst, omdat zij hun omgeving als kouder ervaren. „Wandelaars en fietsers waarderen de ruimte om hen heen over het algemeen positiever dan automobilisten en gebruikers van het openbaar vervoer.”

Langetermijnvoorspellingen doen over het vervoer op basis van het weer in de toekomst. Kan dat wel? Böcker: „Ik kan niet in een glazen bol kijken. Ik benadruk ook dat er onzekerheden in het onderzoek zitten, niet alleen met betrekking tot klimaatvoorspellingen, maar ook wat betreft toekomstige vervoerspatronen.” Hij heeft bijvoorbeeld niet gekeken naar het effect van de veranderende bevolkingssamenstelling of de invloed van nieuwe technologie op mobiliteit – factoren die volgens onderzoekers van de Vrije Universiteit in Amsterdam van grotere invloed zijn op toekomstig fietsgebruik.

Maar ook al concentreert zijn onderzoek zich puur op de invloed van de klimaatsverandering, het is van belang, zegt Böcker. „Want dat de zomers heter worden en de winters milder, daar zijn de meeste modellen het wel over eens.” En daar kan je op inspelen, wil je bijvoorbeeld duurzame vervoerswijzen als fietsen en wandelen stimuleren. „Fietsen en wandelen zijn niet alleen goed voor het milieu en je gezondheid, maar kunnen ook een positief effect hebben op je emoties en het waarderen van je omgeving.”

Een reis is meer dan een verplaatsing van A naar B, vindt Böcker. „Het is een beleving. Je maakt dingen mee onderweg.” Het zou geen kwaad kunnen als mensen ook zo naar vervoer gaan kijken, denkt hij. „Dan is het niet meer per definitie het belangrijkste om snel op je werk te komen, maar ook om bijvoorbeeld de mooiste route te nemen en helder en fris te arriveren.”

Beleidsmakers zouden nu al moeten inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zegt Böcker. Gemeenten moeten niet alleen rekening houden met een mogelijke toename van fietsgebruik, maar ook zorgen dat fietsen en wandelen aantrekkelijk blijft. Meer groen helpt bijvoorbeeld voor verkoeling, overkappingen en windschermen bieden beschutting tegen regen en wind. Fietsers die bijvoorbeeld een brug mijden door te harde wind. Dat zou zonde zijn.”