Pas op: onverdraagzaamheid bepleiten kan straf opleveren

Delano Felter, lijsttrekker van de Republikeinse Moderne Partij, virulent homohater en verdacht van discriminatie en belediging, heeft iets veroorzaakt. In zijn eentje hielp hij de juridische grenzen voor uitingsvrijheid van politici in Nederland verduidelijken. De Hoge Raad herhaalde vorige week in een beknopt arrest dat politici in dit land, volgens de vertrouwde Europese maatstaf, mogen kwetsen, choqueren of verontrusten. Ook buiten parlement of raadszaal, en in beginsel naar de mate waarin hun dat goeddunkt.

Maar daarnaast hebben zij ook een eigen verantwoordelijkheid in het politiek-maatschappelijke debat. Net als andere burgers mogen ze niks zeggen waarmee de wet wordt overtreden. Of wat strijdig is „met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat”. Dat wordt al ingewikkelder – de contouren van het (eerste) proces-Wilders doemen hier op. Politici mogen dus geen uitlatingen doen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie.

Het arrest-Felter voegt nu toe dat politici zich in het openbaar voortaan ook moeten onthouden van uitlatingen „die aanzetten tot onverdraagzaamheid”. Daarmee is feitelijk de maatstaf voor strafbare uitingen ietsje ruimer geformuleerd. Bedreigen, intimideren of aanzetten tot geweld zijn heftiger dan ‘onverdraagzaamheid’ bepleiten. Dat gaat al gauw over het niet kunnen tolereren van mensen die anders denken, handelen of eruitzien. Een vrij breed begrip dus. De Hoge Raad past hiermee overigens rechtstreeks Europese jurisprudentie toe, uit de zaken-Erbakan en -Féret.

Uit het advies van advocaat-generaal (AG) Knigge kan de reden worden afgeleid. Die schrijft dat in een democratie voor denigrerende uitlatingen met betrekking tot minderheidsgroepen „juist heel weinig ruimte” moet zijn. Zulke uitlatingen bedreigen de democratie en de „daaraan inherente mensenrechten”. Onverdraagzaam zijn tegenover minderheden is strijdig met de menselijke waardigheid, aldus Knigge. Politici komt daarbij ook geen uitzonderingspositie toe vanwege hun rol in het publieke debat. Integendeel, zij zouden volgens de AG juist voorop moeten gaan bij het bestrijden van discriminatie. Zij dienen de rechtsstaat op dit punt te beschermen.

Deze normen zijn, zacht gezegd, in het Nederlandse politieke debat aan slijtage onderhevig. In de onderlinge omgangsvormen, in de campagnes en in de media zijn ze vervaagd of worden met opzet niet gerespecteerd. Het politieke debat wordt al jaren harder, grover en provocatiever. De hoogste rechter scherpt nu terloops de strafrechtelijke norm aan. Dat is behalve een juridisch ook een maatschappelijk signaal. En niet alleen omdat er een tweede proces-Wilders aankomt – juist over strafbare discriminatie.