Het grote begraven

Vier Britse architecten ontwierpen de 967 begraafplaatsen op het continent voor gesneuvelde soldaten uit de landen van het Britse Gemenebest. ’Briljant’ volgens de een, ‘monsterlijk’ volgens de ander. ‘Their name liveth for evermore’.

The Cross of Sacrifice op het Tyne Cot Cemetery in het Belgische Passendale. Foto Hollandse Hoogte

Barnard, Private, Frederick, 2501 3rd, Australian Pioneers. Killed in action 15 October 1917. Age 24. Son of Albert and Susan Sarah Barnard. Zo staat de Australische soldaat Frederick Barnard omschreven in het cemetery register van Tyne Cot Cemetery in Passendale, een dorpje vlakbij Ieper. In de Eerste Wereldoorlog was Barnard van de andere kant van de wereld gekomen om in de modder van West-Vlaanderen te vechten tegen de Duitsers in de rampzalige Derde Slag om Ieper. Die begon in de zomer van 1917 en eindigde een half jaar later in acht kilometer terreinwinst van Britten en Fransen ten koste van in totaal 450.000 doden.

Frederick Barnard is een van de 11.956 soldaten uit Groot-Brittannië en andere Gemenebestlanden die zijn begraven in Tyne Cot Cemetery, de grootste Britse militaire begraafplaats uit de WOI. In het online-archief van het Wounded and Missing Enquiry Bureau van het Australische Rode Kruis is meer over hem te vinden. Verschillende getuigen hebben schriftelijk gemeld dat hij op 15 of 18 oktober 1917 om drie uur ’s middags „left of Passchendaele” werd getroffen door een granaat nadat hij samen met enkele andere soldaten de loopgraven had verlaten. „Hij was vrijwel onmiddellijk dood”, rapporteerde soldaat Staples op 24 januari 1918. „Hij heeft niet meer gesproken. Ik was slechts 10 voet van hem verwijderd toen het gebeurde. Toen we er de volgende ochtend weer op uittrokken, werd hij begraven in een bomkrater vlakbij waar hij was gevallen en een kruis met zijn naam erop enz. werd opgericht. (...) Ik geloof dat hij getrouwd was.”

‘Dearly beloved brother’

Na de oorlog werden Barnards resten samen met die van duizenden andere provisorisch begraven soldaten overgebracht naar Tyne Cot Cemetery. Deze begraafplaats was ontstaan bij een grote Duitse bunker, die Barnards Derde Australische Divisie op 4 oktober 1917 had veroverd en vervolgens ingericht als eerstehulppost. Op Barnards zerk staat dat hij de ‘dearly beloved brother’ was van Noel Barnard en Mrs Louis St. John – getrouwd was hij vermoedelijk niet.

Aan de begraafplaats waar Barnard nu ligt, grenst het Tyne Cot Memorial, een lange, halfronde muur die aan de uiteinden wordt afgesloten door witte, classicistische koepelgebouwen. In de muren van natuursteen staan de namen gebeiteld van 34.949 gesneuvelde soldaten van het Gemenebest die nooit zijn teruggevonden. Op de Menenpoort in Ieper zelf, waar nog elke avond om acht uur de Last Post wordt geblazen, staan nog eens 54.404 namen van vermisten. De poort was niet groot genoeg om de namen van alle vermisten van de Gemenebestlanden rondom Ieper in te beitelen.

Ruim 130 kilometer zuidwaarts is nog een groot monument voor Britse vermiste soldaten uit de Eerste Wereldoorlog zichtbaar in het zacht glooiende Noord-Franse land bij de rivier de Somme. Als een vreemdsoortige kerk ligt het grootste Britse oorlogsmonument ter wereld op een heuvel. Hier lag eens Thiepval, een dorpje dat tijdens de Slag aan de Somme in de zomer van 1916 werd weggevaagd.

Van dichterbij blijkt het monument geen kerk, maar een curieuze opeenstapeling van bogen, bekroond door een top die lijkt op die van een klassieke New Yorkse wolkenkrabber van een eeuw geleden. In het natuursteen waarmee de bogen zijn bekleed zijn de namen gegraveerd van de meer dan 72.000 soldaten van het Gemenebest die bij de Slag aan de Somme omkwamen en nooit zijn gevonden. S. Ellwood van het Lincolnshire Regiment en G.F.B. Mortimer van het West Yorkshire Regiment zijn twee van hen.

Op het onderste deel van de bogen staan ‘addenda’: namen die na voltooiing van het monument in 1932 zijn toegevoegd. Blijkbaar was de boekhouding van de Grote Oorlog niet perfect. Van tijd tot tijd verdwijnen er namen van soldaten die nog altijd worden gevonden in de akkers bij de Somme.

Bij de triomfboog staan enkele honderden kruizen en zerken van Franse en Britse soldaten die wel zijn teruggevonden. ‘A soldier of the Great War. Known unto God’ staat op de zerken van de vele Britse soldaten die niet waren te identificeren.

Britse architecten

Tyne Cot Memorial is ontworpen door Herbert Baker, het monument in Thiepval door Sir Edwin Lutyens, de beroemdste Britse architect uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Beiden behoorden tot de groep van vier Britse architecten die de 967 begraafplaatsen voor Britse soldaten op het Europese continent hebben ontworpen. Hiervan ontwierp Lutyens er 140.

Lutyens’ monument in Thiepval roept extreme reacties op, schrijft de Nederlandse architect Jeroen Geurst in Cemeteries of The Great War by Sir Edwin Lutyens uit 2010. ‘Monsterlijk’ en ‘afgrijselijk’ vinden sommigen het, anderen juist ‘superieur’ en ‘briljant’, „Laatst was ik nog in Thiepval met een Nederlandse architect”, zegt Geurst . „Hij vond het een vreemd monument. Het lijkt wel gemaakt van duplo, zei hij.”

Zelf vindt Geurst Thiepval en de andere 139 begraafplaatsen in Vlaanderen en Noord-Frankrijk van Lutyens de mooiste van de Britse begraafplaatsen. „Lutyens was geniaal in het ontwerpen en het denken vanuit het perspectief”, zegt hij. „Hij kon al schetsend heel goed bepalen wat je in werkelijkheid beleeft als je over een begraafplaats loopt Hij wist de kolossale schaal van de monumenten en begraafplaatsen van deze onvoorstelbare oorlog terug te brengen tot begrijpelijke en menselijke proporties.’”

Hoe kun je gevallen soldaten waardig begraven en gedenken, was de vraag die aan Lutyens en de drie andere architecten werd gesteld in 1917. „Bij oorlogen was het altijd de gewoonte om soldaten te begraven waar ze waren gevallen”, legt Geurst uit. „Maar toen WO I langer duurde en veel meer slachtoffers eiste dan verwacht, werd het begraven een probleem. De registratie van de provisorische graven was bijvoorbeeld gebrekkig, nabestaanden begonnen zich te roeren. Fabian Ware, een officier in dienst van het Rode Kruis, trok zich het lot van de gesneuvelden aan en zette uiteindelijk de War Graves Commission op, voor ordentelijke en waardige begraafplaatsen.”

Universele monumentaliteit

Al tijdens de oorlog vroeg de War Graves Commission Lutyens en Baker om ontwerpen te maken voor de Britse militaire begraafplaatsen op het vasteland. Geurst: „Lutyens wilde een universele monumentaliteit. Eerst dacht hij aan een grote bronzen bal als monument op alle begraafplaatsen. Maar dat leek toch te veel op een kogel. Uiteindelijk stelde hij voor om er een Stone of Remembrance neer te zetten, een onversierde massieve steen van tien ton op drie treden. Voor Lutyens was dit een niet aan een bepaald geloof gebonden symbool voor beproeving en eeuwigheid. Op de steen staat het opschrift: Their name liveth for evermore.’

Uiteindelijk zijn de Britse begraafplaatsen niet universeel geworden. Men vond dat op een Britse begraafplaats een christelijk kruis toch niet mocht ontbreken. Reginald Blomfield ontwierp het ‘offerkruis’, voorzien van een zwaard. „Maar de zerken zijn wel weer algemeen”, zegt Geurst. „Iedereen, ook officieren en islamistische en joodse soldaten, heeft dezelfde platte rechthoekige steen. Dat is ook heel praktisch. Je kunt er meer informatie op kwijt dan op de kruizen op Franse militaire begraafplaatsen.’

Behalve een Stone of Remembrance, ook wel Great War Stone genoemd, en een Cross of Sacrifice hebben de honderden perfect onderhouden Britse begraafplaatsen ook kapellen, opslagplaatsen, toegangspoorten, trappen, hellingbanen, heggen, borders en andere elementen. En bijna allemaal zijn ze ommuurd: het zijn Britse enclaves in het Belgische en Noord-Franse landschap. Letterlijk, want de gronden zijn voor altijd aan de Britten ter beschikking gesteld.

Hoeveel en welke elementen een begraafplaats heeft, hangt vooral af van de omvang. De allerkleinste, met enkele tientallen zerken, hebben alleen een offerkruis. Op de grootste staan bij de duizenden zerken prachtige, classicistische gebouwen die laten zien hoe virtuoos Lutyens was. „De begraafplaatsen zijn stad, gebouw en tuin in één”, zegt Geurst. „Zelf zag Lutyens de militaire begraafplaatsen als kathedralen. De honderden begraafplaatsen tezamen beschouwde hij als een melkwegstelsel, als een hemelkoepel over Noord-Frankrijk en Vlaanderen. Als eeuwige herinnering aan de gevallen soldaten.”