De schrijver die reïncarneert

Een serieuze schrijver die over reïncarnatie schrijft!? Ja, Tijdmeters is tóch een serieus boek, en misschien wel David Mitchells meest persoonlijke. „Ik wilde een dilemma creëren waar je over na moet denken.”

David Mitchell, David Mitchell, David Mitchell, David Mitchell... Foto Getty Images, bewerking fotodienst NRC

De verpersoonlijking van het goede humeur, dat is schrijver David Mitchell. Opgewekt stapt hij de lounge binnen van zijn chique hotel in de Londense wijk Marylebone. Het is tien uur ’s ochtends en ik ben zijn tweede interview-afspraak vandaag, zegt Mitchell, maar, voegt hij er vrolijk aan toe: „Ik benader elk interview met energie en enthousiasme!”

Mitchell (45) is de succesvolle auteur van zes romans. De bekendste is Wolkenatlas (2004), een boek in zes verhalen dat eeuwen omspant en waarin dezelfde ziel in steeds nieuwe personages reïncarneert. We praten nu over Mitchells zesde roman, de Nederlandse vertaling Tijdmeters ligt net in de winkel.

Ook Tijdmeters is weer een caleidoscopische roman: Mitchell verhaalt achtereenvolgens over schoolmeisje Holly (1984), student Hugo (1991), oorlogsverslaggever Ed (2004), schrijver Crispin (2015-2020), chronometrist Marinus (2025) en weer dezelfde Holly, maar nu als oude dame (2043).

Tijdmeters is Mitchells meest persoonlijke, meest autobiografische boek tot nu toe. Denk ik. Maar zelf ziet hij dat niet direct zo: „Normaal zeggen mensen dat Dertien mijn meest autobiografische boek is.” Dat ligt voor de hand: Dertien is een klassieke coming-of-age roman over een jongen van dertien die stottert, net als Mitchell zelf vroeger. „Waarom vind je Tijdmeters zo persoonlijk?” vraagt hij.

Ik leg uit: Tijdmeters heeft een schrijver in het hart; ongeveer in het midden van het boek zit het verhaal over Crispin. Dat bestaat uit verschillende delen die jaren omspannen, net als de hele roman: alsof het deel over Crispin over hemzelf gaat die dit boek schrijft. En Crispin heeft de denkbeeldige Britain Prize nog niet gewonnen, terwijl Mitchell nog stééds de Man Booker Prize niet gekregen heeft, de belangrijkste Britse literaire prijs.

De schrijver reïncarneert in alle personages

Mitchell lacht hartelijk. „Goede redenering”, zegt hij en begint daarna één voor één zijn vijf hoofdpersonen af te lopen om te kijken wat er autobiografisch aan hen is. „Holly is een meisje uit de arbeidersklasse, ik heb geprobeerd om haar minder op mij te laten lijken dan veel van mijn protagonisten. Hugo is amoreel, een monster, een sociopaat. Ik heb misschien wel sociopathische gedachten, maar ik gedraag me er nooit naar. Hugo wel, hij behandelt vrouwen afschuwelijk...”

O jee, dit gesprek dreigt ernstig de verkeerde kant op te gaan. Ik denk ook niet écht dat u op Hugo lijkt, stamel ik, Hugo is natuurlijk... Mitchell onderbreekt me: „Maar, máár! Dan komt romanschrijver Crispin. Hij is mijn ijdelheden, mijn pretenties, mijn statusangst, opgepompt met steroïden. En daarna hebben we oorlogsverslaggever Ed, met zijn houding ten opzichte van het huwelijk... Op een bepaalde manier is zijn oorlog mijn schrijven. Hij is een oorlogsjunkie en als hij niet oppast lijdt zijn gezinsleven daaronder – en hij pást niet op.

„Mijn Irak is de roman waaraan ik werk. Een roman heeft je eindeloos nodig en je kunt hem nooit in één werkdag afmaken, je moet bijna kunstmatig de deur dichtslaan en zeggen: nu ben ik even geen schrijver, nu ben ik vader en echtgenoot. En Marinus...”

Hij aarzelt. „Ik ben niet onsterfelijk...” Marinus wel, Marinus is een chronometrist. Hij sterft en reïncarneert steeds, is al aan zijn veertigste leven toe. Een van zijn eerdere levens kwam voor in Mitchells vorige roman De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet (2010) die omstreeks 1800 speelde.

In Tijdmeters hebben alle hoofdpersonen hun eigen dramatische aardse problemen, maar uiteindelijk draait het boek om de strijd tussen de chronometristen en een rivaliserende bende onsterfelijken, de anachoreten, die onschuldige mensen vermoorden om niet te verouderen. Mitchell maakt daarmee voor het eerst de stap van subtiel magisch realisme naar pure fantasy. Sommige lezers hadden daar moeite mee, onder wie zijn eigen moeder. „Ze was heel diplomatiek”, zegt hij, „maar ik merkte het wel.” Eén lezer zei tegen hem dat Mitchell vooral geen sciencefiction of fantasy meer moest schrijven. „Daar heb ik veel over nagedacht”, zegt Mitchell. „Ik denk dat dat de verkeerde lezer was voor het boek. Ik schrijf wat ik wil, dank u beleefd. En als fantasy niet mag, wat moeten we dan met Middernachtskinderen van Rushdie? Of met De meester en Margarita van Boelgakov? Dat is een van mijn favoriete boeken, zo prachtig. En dat zou je niet kunnen lezen omdat er fantasy inzit?” Hij lacht. „Zonde!”

En het werd zijn ‘midlifecrisisboek’

Door met Marinus dan maar. Mitchell heeft wel gezegd dat hij zijn oeuvre als een ‘metaboek’ beschouwt, veel personages keren in verschillende boeken terug, en Marinus leidt met al zijn levens ook een ‘metaleven’. Dat maakt Marinus ook nogal autobiografisch – toch?

„Inderdaad”, zegt Mitchell bedachtzaam. „Marinus is een metafoor voor kunst, en romans zijn metaforen voor levens, voor het overgaan in het lichaam van een ander. Al met al is je observatie dat Tijdmeters mijn meest autobiografische boek is dus wel overtuigend. Al was ik me daar niet van bewust.”

Er zit nog meer persoonlijks in. Mitchell heeft Tijdmeters wel zijn midlifecrisisboek genoemd, en juist tijdens een midlifecrisis komen gedachten aan sterfelijkheid en onsterfelijkheid boven. „Klopt”, zegt hij. „Je kunt naar sterfelijkheid kijken vanuit het gezichtspunt van onsterfelijkheid. En de vraag is dan: zou ik die deal van de anachoreten sluiten? Zij stellen de dood uit door het leven van één onbekende per jaar af te tappen. Pijnloos, schoon. Zou jij het doen?”

Het is makkelijk om te zeggen dat ik het niet zou doen. En als ik het wel zou doen, zou ik dat vast niet zeggen.

„Voor mij geldt hetzelfde. Ik wilde een dilemma creëren waar je over na moet denken. Kijk, een vampier moet steeds zijn tanden in iemands hals zetten.” Hij mimet het gebaar bij een imaginaire hals. „Dat wil niemand. Het is te obsceen, te direct.”

Dan doen de anachoreten het beter. Maar als je niet veroudert, heb je wel een eenzaam leven. Iedereen van wie je houdt gaat dood.

„Ja, de anachoreten moeten ook steeds hun eigen dood fingeren en verhuizen, voordat de mensen om hen heen doorhebben dat ze niet verouderen. Maar ze hebben elkaar. En ach, liefde, familie... Er was een tijd voordat je je partner ontmoette en als je hem overleeft, komt er daarna ook weer een tijd. Mensen komen, mensen gaan. En je krijgt 2050 te zien, en 2080! Oké, je moet af en toe een onschuldig persoon offeren... Maar hoeveel mensen in Londen en Amsterdam zullen er vandaag wel niet sterven? Ben je vegetariër?”

Ik eet vis. En eend, omdat die ook zwemmen.

„Dan ben je deels geëxcuseerd, maar voor de meeste mensen zijn honderden zoogdieren een pijnlijke, angstige dood gestorven. Onnodig! Die mensen hadden ook broccoli kunnen eten. Vergelijk dat met de anachoreten, die maken één slachtoffer per jaar. Een mens, ja, maar die sterft pijnloos en gelukkig.”

U laat het aantrekkelijk klinken.

„Zo denken de anachoreten. Maar de chronometristen vinden hen monsters, moordenaars. Zij weten niet waarom ze de gave of de vloek hebben van eeuwige wedergeboorte, maar ze weten wel dat de anachoreten gestopt moeten worden.”

Weet u zelf waardoor de chronometristen steeds reïncarneren?

„Ik heb wel een idee.” Hij aarzelt. „Ik ga nog een boek maken met Marinus erin, mogelijk met zijn laatste levens, aan het einde van het menselijke tijdperk... En daarin” – hij zet een geheimzinnige stem op – „zal het antwoord op die vraag onthuld worden.”

Welke plannen heeft u nog meer?

„Met wat geluk komt komende oktober mijn eerste dunne boek uit. Zo’n 150 bladzijden, een kwintet van spookverhalen. Het zou eerst onderdeel worden van Tijdmeters, maar het paste er niet helemaal in. Het boek daarna gaat over Marinus in 1968, 1969. Twee jongens en een meisje in een rockband dromen over een rechtvaardiger samenleving. Cynische dromers zijn ze, dat wordt misschien wel de naam van hun band, Cynical Dreamers. Waarom zijn we zo verdomd slim als het gaat om technologie, marketing, ruimtevaart, terwijl de rijkste 85 mensen op aarde evenveel geld hebben als de armste 3,5 miljard?

„En ik wil nog een Vikingboek schrijven, waar een tiende-eeuwse Marinus in voorkomt.” Hij grinnikt. „Dat wordt leuk. Maar ik moet nog tempo maken om het allemaal af te krijgen.” Hij bedoelt: in dit leven.