Bronnen in dit stuk zijn bekend bij de redactie, schreef Trouw

De bronnen van journalist Perdiep Ramesar in 126 artikelen bleken niet-traceerbaar. De hoofdredactie van Trouw negeerde signalen daarover.

De buurtbewoner, de demonstrant, het bendelid. Trouw-verslaggever Perdiep Ramesar (36) liet vaak een inwisselbare bron aan het woord in zijn artikelen: iemand die als voorbeeld moest dienen voor een grotere groep.

Vaak liet hij zulke mensen anoniem vertellen, op andere momenten verzon hij namen. Dat deed hij tientallen keren sinds zijn aanstelling bij Trouw in 2007. Van 126 artikelen, inclusief de geruchtmakende reportage over de ‘shariadriehoek’, zijn bronnen niet te traceren. Niet eerder besloot een Nederlandse krant zoveel artikelen terug te trekken.

Dat bleek afgelopen weekend uit een extern onderzoek dat Trouw liet uitvoeren naar zijn prominente verslaggever. Zijn leidinggevenden deden lange tijd niets met signalen van andere redacteuren dat hij de boel zou kunnen bedotten.

Vorige maand viel Ramesar door de mand, nadat een redacteur van Trouw een lijst had gemaakt van 26 opgevoerde mensen in stukken van Ramesar die niet zouden bestaan. Op vrijdagmiddag 7 november nodigden chef verslaggeverij Antal Crielaard en adjunct-hoofdredacteur Esther Lammers Ramesar uit in een vergaderzaaltje in Hotel Babylon in Den Haag te komen. Daar werd hij bevraagd over een essay dat hij schreef in opdracht van Nieuwspoort en waar Trouw een voorpublicatie van zou afdrukken. Het ging over de reacties op zijn reportage uit mei 2013 over de shariadriehoek in de Schilderswijk, maar bevatte ook een nieuw verhaal, over twee jeugdvrienden die door extremisme uit elkaar gegroeid waren.

Ramesar vertelde die middag niet te weten waar de bronnen wonen die hij voor het verhaal sprak, zo blijkt uit het gespreksverslag waaruit in het rapport van de onderzoekscommissie wordt geciteerd.

Crielaard: „Dus die twee jongens in de Schilderswijk hadden kunnen bestaan, maar ze bestaan niet? We kunnen niet nu naar ze toe?”

Ramesar: Stil. Haalt schouders op. „Nee, ik denk het niet.”

Lammers: „Sinds wanneer ben je dat gaan doen? Is dat voor of na je verhaal over de shariadriehoek in Den Haag?”

Ramesar: „Weet niet meer, daarna denk ik. En het gaat alleen om repo-verhalen, niet om het nieuws. Ik verzeker jullie: De nieuwsverhalen zijn echt helemaal waar.” Daar bleef het bij: een minieme bekentenis. Ramesar werd ontslagen en weigerde daarna medewerking aan het onderzoek.

Vriendelijk en ambitieus

De journalistieke carrière van Ramesar, van Surinaams-Hindoestaanse afkomst, begon in 2002. Hij studeerde journalistiek in Zwolle en liep drie maanden stage op de Haagse redactie van NRC Handelsblad. Daarna belandde Ramesar bij de Haagsche Courant. Daar viel hij op met stukken over de Hindoestaanse gemeenschap in Den Haag – een groep van 50.000 mensen die andere journalisten niet in het vizier hadden, maar die hij wél de krant in kreeg. Vaak anoniem.

Ook na zijn overstap naar Trouw, in het voorjaar van 2007, bleef hij over de Hindoegemeenschap schrijven. Gaandeweg verdiepte hij zich – vaak samen met collega Martijn Roessingh, inmiddels adjunct-hoofdredacteur bij Trouw – ook in een ander onderwerp: mensenhandel. In 2011 brachten ze een boek uit, gebaseerd op hun vele artikelen in Trouw: Slaven in de polder. Het duo werd genomineerd voor de Loep, de prijs voor onderzoeksjournalistiek.

Drie eigenschappen komen terug als (ex) collega’s Ramesar typeren: hij is vriendelijk, ambitieus en goed ingelezen. Van de bronnen uit zijn stukken die wél traceerbaar zijn, komen soortgelijke woorden; niemand klaagt over verdraaide citaten of verzonnen details. „Een serieuze journalist die moeite deed om in gecompliceerde materie thuis te raken”, zegt Margriet Overkleeft-Verburg van de Erasmus Universiteit, die vaker contact met hem had.

Er waren jarenlang twijfels

Ramesar was een gezaghebbende collega en daarin schuilde juist het gevaar. In juli 2012, zo meldt het rapport, ontdekte een collega dat een bron van Ramesar waarschijnlijk niet bestond. De collega hield het lange tijd voor zich omdat Ramesar „veel meer ervaren” en „ogenschijnlijk onomstreden” was. Er waren al ongeveer vijf jaar twijfels bij andere redacteuren, maar aankaarten hielp jarenlang niet. Oud-adjunct-hoofdredacteur Gerbert van Loenen zegt in het rapport dat hij tussen 2010 en 2014 „zo’n vijf keer” bij toenmalig hoofdredacteur Willem Schoonen heeft aangedrongen op nader onderzoek. Enkele Google-zoekopdrachten hadden al genoeg kunnen zijn: tientallen stukken bevatten namen die op internet niet bestaan. Toch hoefde Ramesar zich nooit te verantwoorden.

Terwijl de lezer verteld werd dat dit wél gebeurde: „De vele bronnen die voor dit verhaal zijn gebruikt, zijn allemaal bij de redactie bekend”, schreef toenmalig hoofdredacteur Schoonen een week na het stuk over de shariadriehoek in de krant. Het rapport stelt dat dat „met de kennis van nu niet meer hard te maken is”. Schoonen wil niet reageren op vragen van deze krant.

Hoofdredacteur Cees van der Laan, lang direct leidinggevende van Ramesar, reageerde zaterdag in Trouw. „Ook ik heb zijn brongebruik niet in de gaten gehad, net zomin als Martijn Roessingh, adjunct-hoofdredacteur. [...]. Een pijnlijke conclusie, [...] als je tegelijkertijd denkt een scherpe, oplettende journalist te zijn. Dan past bescheidenheid.”

Perdiep Ramesar werkte niet mee aan het onderzoek en was de afgelopen weken, niet bereikbaar voor commentaar. Hij heeft zijn ontslag voorgelegd aan de rechter en ziet de uitspraak volgens zijn advocaat „met vertrouwen tegemoet”.