Allemaal schroefjes los

‘Ja, laat Hans toch, we laten Hans toch, we laten Hans.’ Als er ergens in Iedereen kan schilderen een zin te vinden is die de hele roman samenvat, dan is het deze. Hans Kostons’ echtgenote spreekt hem uit tegen dochters Iris en Mia, nadat Hans er opnieuw in is geslaagd de anderen het schaamrood op de kaken te bezorgen. Iris is een twintigjarige studente die nog maar net in Amsterdam woont. Daar maken we haar echter zelden mee. Het draait om de ogenblikken die ze bij haar ouders doorbrengt. En aan alle Kostonsens zit wel een schroef of twee los. De tragische ondertoon wordt veroorzaakt door Iris’ en Mia’s gebrek aan vertrouwen om gelukkiger te worden. Ze zijn ervan overtuigd dat ze in grote mate genetische duplicaten zijn van de man die zich als een malloot gedraagt. De maffe ouder als een droef stemmend toekomstbeeld van jezelf: op het compositorische vlak had Iedereen kan schilderen wel wat effectiever gekund, maar een debutant die je doet nadenken over het niet-geloven in de vrije wil en de hopeloosheid die er het gevolg van is, mag er zeker zijn.