Waarom we het jaar van de destructiedrang beleefden

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Mark Rutte als politicus van dit en, jawel, volgend jaar. Ofwel: wie kan de dreiging van onbestuurbaarheid en politieke vernielzucht beter aan?

Kabinet van wisse dood gered, Wilders vervolgd en vereerd, Duivesteijn de PvdA-held: de laatste week was symbolisch voor het hele politieke jaar.

Gedurende 2014 zagen we gammele constructies om een sputterende coalitie in stand te houden. Een oppositie die het – binnen en buiten de coalitie – steeds meer van (ik citeer De Telegraaf over de PVV) hooliganisme moest hebben. Een senaat waar spelverruwing gewoonte werd. En een sociaal-democratie die zo gedesoriënteerd raakte dat een van haar meest vernielzuchtige politici de stuurknuppel in handen kregen.

Dus nu ongeveer elke beroepsgroep zijn politicus van het jaar koos (van harte, Timmermans) wilde ik, om te beginnen, even mijn politieke woord van het jaar introduceren: destructiedrang.

Ik weet het: je kon Adri Duivesteijn, de PvdA-senator die het lef had een bijna-kabinetscrisis te riskeren voor behoud van ‘de vrije artsenkeuze’, zien als zeldzaam principieel persoon in een metier van machtshonger en holle compromissen. Een strijder tegen marktwerking in de zorg die zijn particuliere ervaringen als kankerpatiënt presenteerde voor de juistheid van zijn positie.

Weinig tegen in te brengen. Maar als je wist hoe dezelfde Duivesteijn de laatste weken opereerde, rezen wel een paar vragen.

Zo was het vreemd dat deze principiële strijder in geen (géén) van de debatten in de Eerste Kamer over de ‘vrije artsenkeuze’ naar de microfoon stapte om zijn bezwaren openlijk te verwoorden. Principieel verzet van een Kamerlid tegen coalitiedwang en marktwerking vergt natuurlijk primair dat hij (m/v) tegenargumenten benoemt in de arena waar de beslissing valt. Interviews na de beslissing zijn boeiend, maar debatten voor de beslissing bepalend.

Je had meer onverklaarbaar gedrag. Toen staatssecretaris Van Rijn dinsdag anderhalf uur op bezoek was bij de PvdA-fractie in de Eerste Kamer, hield Duivesteijn zijn mond. Hij zei niets.

Zo ging dat verder. Na dinsdag, toen de wet werd verworpen, was Duivesteijn uitvoerig beschikbaar voor media, maar gaf hij zelden thuis als partijgenoten, zoals Lodewijk Asscher, hem nodig hadden om de politieke crisis op te lossen.

Intussen vertelden twee bekenden me deze week dat Duivesteijn al vorige maand bij hen aankondigde dat hij het kabinet (en Samsom) de voet eind dit jaar dwars ging zetten. Adri werd, zeiden ze, primair gedreven door bezwaren tegen het regeerakkoord en de souplesse waarmee Samsom in 2012 onderhandelde.

Gaandeweg was het persoonlijk geworden. Begin dit jaar prees Duivesteijn in Vrij Nederland Asscher en klaagde hij dat Samsom ,,geen moreel leider’’ was. Tegen collega’s in de Eerste Kamer zei hij dat Samsom wat hem betrof moest opstappen.

Allemaal vintage Adri Duivesteijn. Een man met grote bestuurlijke vermogens (zie het schitterende Haagse stadhuis dat hij initieerde). Een man die een heel politiek leven conflicten creëerde om aandacht op politieke thema’s (en zichzelf) te vestigen.

Maar vooral: óók een man die opponenten geregeld wist te vernietigen. Wat Samsom met Duivesteijn meemaakt, is zeker geen primeur. Vraag het staatssecretaris Dick Tommel (Volkshuisvesting, D66) die tijdens Paars I Duivesteijn als PvdA-woordvoerder in de Tweede Kamer meemaakte. Of Gerard van Otterloo, een PvdA’er die in de jaren tachtig wethouder Financiën was in een links stadscollege in Den Haag, waar Duivesteijn als big spender wethouder volkshuisvesting en stadsvernieuwing was. Daar liet Adri Duivesteijn zien wie hij werkelijk was: een begaafd agitator, geen man met talent voor bedaagdheid en depolitisering – het type eigenschappen waar Eerste Kamerleden doorgaans op worden geselecteerd.

Dus in feite was hij als senator vanaf zijn eerste dag een misverstand: je kon je in redelijkheid afvragen hoe deze man hier verzeild was geraakt. Antwoord: omdat de PvdA in 2011 dacht dat ook in de Eerste Kamer keihard oppositie tegen Rutte I nodig was, het gedoogkabinet met de PVV.

Duivesteijn herinnerde er zelf aan toen hij eind vorig jaar, inzake het woonakkoord, de coalitie al uitdaagde. Destijds bond hij in, zei hij, omdat hij in de politiek was teruggekeerd om „Wilders te bestrijden”. Een val van het kabinet eind 2013 zou de PVV, vond hij toen, te veel wind in de zeilen geven.

Boeiend genoeg hoorden we dit argument deze week niet van hem – hoewel de kans op nieuw PVV-succes mede door hem toenam. Samsom verzwakt, Rutte verzwakt, Schippers verzwakt, Asscher verzwakt, band met constructieve drie verzwakt: ziedaar de ravage die hij en zijn collega’s aanrichtten.

En de mogelijkheid dat Rutte II (of Samsom) na deze week een nieuwe tegenslag overleeft lijkt me nu wel verkeken: deze coalitie heeft zijn laatste restje spankracht verspeeld.

Tegelijk bleef het definitieve besluit om Wilders te vervolgen wegens zijn ‘minder Marokkanen’-uitspraken, deze week B-nieuws. Zijn partij radicaliseert verder – enkele weken terug het plan alle moskeeën te sluiten, deze week het ideetje moslims geen veiligheidswerk op Schiphol meer te laten doen. Destructie als oppositiekitsch.

Wilders’ vervolging wordt door menige deskundige kansrijk geacht: grappig genoeg ook door strafrechtgeleerde Theo de Roos, die in maart in een intern PVV-document nog bij Wilders werd aangeprezen als getuige die hem in bescherming kon nemen. Hoe dit ook zij: waar de coalitie verzwakt, en waar Wilders begin 2014 nog twee verkiezingen verloor, neemt zijn electorale aantrekkingskracht alleen nog maar toe.

In dit ongemakkelijke klimaat sluiten we 2014 af. We begonnen het jaar met een kabinet dat, vooral door Rutte’s flexibiliteit, dankzij drie constructieve oppositiepartijen kon rekenen op een meerderheid in de senaat. Een toverballenverbond dat beleid in bijna elke kleur afleverde – met Rutte die het zaakje, ook tegenover een steeds ongeduldigere VVD, overeind hield.

Wat dit betreft leverde hij onbetwist de knapste Haagse prestatie van het jaar. Besturen is saai en impopulair, zeker nu kiezers spelverruwing en destructiedrang zo ruim waarderen – maar iemand moet het doen.

En je kunt wel zo’n beetje voorzien wat 2015 zal brengen. Over drie maanden kiest het land Provinciale Staten, die daarna een nieuwe Eerste Kamer kiezen. Natuurlijk zouden die laatste verkiezingen aanleiding moeten zijn voor een besteldiscussie – want dit eeuwige spelletje van houtje-touwtje coalities en individuele senatoren die een heel bestuur hun wil opleggen, kan niet voortduren.

Maar een bestel verander je niet in een paar maanden en wie het electorale veld overziet, zal weinig opbeurends waarnemen: een groeiende PVV en gouvernementele partijen van links tot rechts die het landschap fragmenteren. Gevolg: elke nieuw kabinet zou een soort nationale coalitie worden; het type ondoorzichtige samenwerking dat zoveel kiezers steeds naar de flanken doet vluchten.

Boeiende denkoefening: vraag je even af welke politieke leiders van deze generatie, los van hun inhoudelijke posities, het bestuurlijke vermogen hebben vijf à zes partijen bij elkaar te brengen?

Wilders? Kan alleen zichzelf bij elkaar brengen. Pechtold? Te lage gunfactor. Samsom? Te laat. Asscher? Theoretisch vraagstuk bij deze peilingen. Buma? Ook al weinig vrienden. Roemer? Te traag. Slob? Getalsmatig te klein.

Ook in zijn eigen partij – dit is nu wel duidelijk – houd je mensen die vinden dat Mark Rutte in 2012 te flexibel was. En sindsdien te zeer gefixeerd op het bijeenhouden van zijn coalitie. Maar feit is: van de huidige leiders zou Rutte in dit gefragmenteerde landschap vermoedelijk de enige zijn die voldoende partijen tot samenwerking kan brengen. Zo bezien is het een algemeen belang dat hij volgend jaar zijn prestaties van dit jaar herhaalt. Ook al wisten Wilders en Duijvesteijn hem het leven in 2014 onbarmhartig zwaar te maken.