Telkens weer te positief

Was 2014 het eerste meevallende jaar sinds de kredietcrisis? Als je blij bent met 0,75 procent economische groei wel. Het kan straks beter, maar een terugkeer naar de groei die ooit gewoon was, lijkt ver weg.

Een herstel, maar wel met een heel kleine ‘h’. Zo laat het economische jaar 2014 zich het best samenvatten. Na een zeer teleurstellend eerste kwartaal, waarin de economie plots bleek te zijn gekrompen, vond er een bescheiden versnelling plaats.

De werkloosheid liep licht terug, van 8,6 procent naar 8 procent. De woningprijzen herstelden met zo’n 5 procent. Het vertrouwen van producenten veranderde van negatief naar positief. En zelfs de consument zag licht aan het einde van de tunnel – al woog de ramp met de MH17 zwaar op het gemoed.

De inflatie daalde fors, van tegen de 1 procent tot nog maar 0,3 procent (volgens de EU-definitie). Goed voor de koopkracht. De daling van de olieprijs en de verzwakking van de euro, die de tweede helft van dit jaar plaatsvonden, komen misschien te laat om nog effect te hebben op de macro-economische grootheden, maar een gunstige kant hebben zij wel.

De Amsterdamse aandelenbeurs kwam per saldo niet van zijn plaats, maar de rente daalde enorm. Een rendement van 0,8 procent op tienjarige Nederlandse staatsobligaties, waarmee 2014 zo’n beetje zal afsluiten, is zó laag dat het een jaar geleden volledig ondenkbaar was.

Gegevens over de economische groei in het vierde kwartaal ontbreken nog. Die komen pas in februari volgend jaar. Maar het Centraal Planbureau voorziet een economische groei van 0,75 procent voor heel 2014. En dat cijfer kan misschien nog een tikje hoger uitvallen. Zo wordt 2014 een nogal uniek jaar: de economische groei valt hoger uit dan de half procent die een jaar geleden nog werd voorzien. Want voorspellers waren sinds het uitbreken van de kredietcrisis zo vaak gestraft voor hun optimisme dat zij van de weeromstuit realistisch werden.

Verloren terrein inhalen

Dat woord ‘realisme’ klinkt ironisch, maar dat is niet zo bedoeld. Het is het gevolg van een gedachteverandering die een tijd nodig had om in te dalen. Modellen voor economische voorspellingen zijn er in soorten en maten, maar één ding hebben ze in de praktijk vaak gemeen: ze gaan uit van een vorm van ‘mean reversion’. Dat wil zeggen: er is een langetermijntrend in de economie. En als de economische groei daar een tijdje onder presteert, dan zal deze het vervolgens op een holletje zetten om het verloren terrein weer in te halen.

Daarom waren prognoses vaak optimistisch na een periode van recessie. En terecht. Ook na 2008 werd er veel te rooskleurig gedacht over het op handen zijnde herstel. Het verloren terrein zou toch vroeg of laat weer worden ingehaald? Maar ditmaal kwamen de voorspellers bedrogen uit.

Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) trok afgelopen jaar het boetekleed aan: het was structureel te rooskleurig geweest. Dat gold voor de wereldeconomie, maar ook voor de onderdelen daarvan. Waaronder Nederland. In bijgaande grafiek zijn alle voorspellingen van het IMF over het Nederlandse bruto binnenlands product teruggerekend tot miljarden euro’s van 2010, en achter elkaar gezet. Wat resulteert is een kroniek van serieel over-optimisme.

Achterstand is niet in te halen

Zo is bijvoorbeeld te zien dat in 2008 werd gedacht dat de omvang van de Nederlandse economie vijf jaar later, in 2013, 704 miljard euro zou bedragen. In werkelijkheid bleek dat nog geen 627 miljard euro te zijn. De economie was maar liefst 11 procent kleiner dan voorspeld.

Het slechte nieuws is dat die 11 procent vermoedelijk nooit meer wordt ingehaald. We zijn hem voor altijd kwijt. Zo bezien stond Nederland er, zes jaar na de crisis, eigenlijk best goed voor. Maar wie een dikke 10 procent in welvaart achterloopt op wat had kunnen zijn, heeft toch een gevoel van verlies. Dat is goed te zien aan een van de belangrijkste politieke onderwerpen van het afgelopen jaar: de zorg. Er is vooral bezuinigd op de groei van die zorg. Maar toch voelt dat als een verschraling. En dan te bedenken dat tot op de dag van vandaag de zorguitgaven nog altijd sneller groeien dan de economie zelf.

De gevoelde verschraling was wennen in 2014, het jaar waarin de grootste operatie in de zorgsector, de overgang van Rijk naar gemeenten, werd voorbereid. Maar voorlopig is die gewenning gerechtvaardigd. Het wordt, met de economische groei, voorlopig niet meer zoals het was.

Alles komt neer op wat de ‘potentiële groei’ van de economie wordt genoemd. Dat is de ‘kruissnelheid’ waarmee de welvaart kan toenemen. De trend in de Nederlandse economie wees in de afgelopen drie decennia altijd op een reële economische groei van iets meer dan 2 procent per jaar. Maar houden we dat vol? Nu is de communis opinio dat we voorlopig blij moeten zijn met minder, veel minder. Maar waarom? Daar is nog steeds geen overeenstemming over.

Eerst was er, kort na de crisis al ‘het nieuwe normaal’, het idee dat we een periode van lage groei en lage inflatie tegemoet zouden gaan. Die notie werd niet geschraagd door een theorie – het was meer een indruk, een gevoel. Later kwamen er theorieën over ‘balansrecessies’ naar Japans voorbeeld: als een recessie het gevolg is van het knappen van een zeepbel, dan duurt het lang voordat schulden bij banken, bedrijven en burgers zijn weggewerkt.

Daarmee samen hangt de ook in 2014 nog steeds woedende loopgravenoorlog onder economen. Daarbij wil het ene kamp liever door de zure appel heen bijten, met bezuinigingen en herstel van vertrouwen op termijn. Terwijl het andere kamp met een oplopend begrotingstekort de vraag naar goederen en diensten wil stimuleren. Kun je schulden wegwerken door ze eerst af te lossen, of door de particuliere schuldenlast in wezen over te hevelen naar de staat?

Ellende maakt creatief. 2014 was het jaar dat oude, exotische, theorieën uit de kast werden gehaald. Die van de Fransman Jean-Baptiste Say uit het begin van de negentiende eeuw, die (te) grof samengevat stelt dat aanbod zijn eigen vraag schept.

Een andere theorie die van de mottenballen werd gered: structurele stagnatie (secular stagnation). Dat is een concept van structureel lage groei en lage inflatie, dat eind jaren dertig door de econoom Alvin Hansen werd uitgewerkt. Hij beschreef hoe een economie lange tijd in windstilte kan blijven voort dobberen. Hansen formuleerde zijn theorie toen de Grote Depressie van zijn tijd maar niet over leek te willen gaan. Maar hij werd ingehaald door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, die alles op zijn kop zette. Het idee van structurele stagnatie werd zo goed als vergeten. Maar het afgelopen jaar was er een nieuwe voedingsbodem voor.

Kunnen we van dat pessimisme weer afscheid nemen, nu de weg omhoog in 2014 langzaam inzette? Nee. Voor 2015 voorziet het Centraal Planbureau een groei van 1,5 procent. Daar zijn we tegenwoordig blij mee, maar het is nog steeds niet veel.

En bovendien: een dalende euro helpt. Een inzakkende olieprijs eveneens. De lage rente is een zegen. En de gedaalde inflatie ook. Maar alle zijn ze er tegelijkertijd een teken van dat er nog steeds iets grondig mis is. Niet alleen omdat zij merendeels een teken zijn van zwakte in de wereldeconomie. Maar ook omdat het veel zegt over de Nederlandse economie zelf.

Want als er met zoveel meewind, zoveel monetaire stimulering en zoveel in te halen achterstand een groei uitkomt van 1,5 procent in 2015, dan moet voorlopig worden geconstateerd dat de structureel lage potentiële economische groei voorlopig nog wel even bij ons is.

Dus wie, om maar een voorbeeld te noemen, komende maart grote beloftes hoort over het buiten schot laten of zelfs verhogen van de zorguitgaven, weet dat hij bedrogen wordt.