Ruzie maken? Marnix Somsen doet het vaak - maar wel voor zijn werk

Foto Chantal Heijnen

Voor Marnix Somsen (45) is het heel gewoon: communiceren via een videoverbinding. Vanuit zijn kantoor in New York in het Rockefeller Center maakt de fraudeadvocaat van het Nederlandse advocatenkantoor De Brauw Blackstone Westbroek vaak “professioneel ruzie” per video.

Zijn Nederlandse cliënten zijn bijvoorbeeld SBM Offshore, de bouwer van drijvende olieplatforms die een recordboete van 193 miljoen betaalde aan Nederlandse justitie wegens omkoping in het buitenland.

Somsen vertrok afgelopen zomer als eerste Nederlandse fraudeadvocaat naar de Verenigde Staten om daar Nederlandse bedrijven uit handen van justitie te houden. Dat is nodig, want Amerika jaagt fanatiek op hen en deelt daarbij torenhoge boetes uit.

Amerikaanse zakken

Rabobank bijvoorbeeld betaalde vorig jaar 581 miljoen euro vanwege manipulatie van het Britse rentetarief Libor. Philips legde 3,6 miljoen euro neer vanwege omkoping in Polen, zo werd begin vorig jaar bekend. En ING, in 2012: 455 miljoen euro vanwege verboden transacties met Cuba en Iran. Allemaal “Nederlandse euro’s die in Amerikaanse staatszakken belanden”.

Somsen is bij vrijwel elke grote fraudezaak betrokken. Zelf wil hij weinig kwijt over wie zijn cliënten zijn. Door zijn verhuizing naar New York kan Somsen makkelijker “vertrouwen opbouwen” bij de Amerikaanse toezichthouders in Washington D.C. en New York, merkt hij. Zodat ze bijvoorbeeld toestaan dat Nederlandse zaken worden afgedaan in Nederland. Want dat is de strijd die de fraudeadvocaat voor zijn cliënten voert.

“In de eerste plaats voor het bedrijf – Nederlandse boetes zijn redelijker. Maar ook omdat het beter is voor de Nederlandse schatkist.”

Over SBM Offshore:

“Over SBM kan ik niet in details treden. Maar het idee is dat we namens een Nederlands bedrijf vragen om beboeting in Nederland. En dan vragen we het Openbaar Ministerie de lead te nemen in een schikking waarbij ook de Amerikaanse justitie betrokken is. Door te zeggen: ‘Luister, dit is een Nederlands bedrijf. Wij zijn het Nederlandse OM. Samenwerken is prima, everything is fine and dandy, maar wíj gaan deze zaak afdoen.’”

Over Amerikaanse officieren van justitie:

“Ik wil niet zeggen dat er helemaal niet met Amerikaanse officieren te praten valt, maar ze zijn vrijwel altijd bijzonder star. Dan doet een bedrijf uitgebreid intern onderzoek, levert bewijsmateriaal en meldt alles vrijwillig en dan heeft een officier alsnog zo’n houding van: en dan nu graag tekenen bij het kruisje en betalen. Er is nauwelijks gevoel voor het belang van een Nederlands bedrijf voor de Nederlandse economie. Ze zijn uitsluitend uit op bestraffen. De blik moet breder zijn. Ik vind het Nederlandse OM veel redelijker.”

Over zijn Amerikaanse collega’s:
Een “industrie” noemt hij hun gewoonte om fraudegevallen altijd te melden. “Melden is wat ze doen. Altijd.” Ook – misschien zelfs juist – als het om buitenlandse bedrijven gaat.

En wat er dan moet gebeuren, is vaak ook heel anders dan wat Nederlandse bedrijven gewend zijn. Bijvoorbeeld: hoe agressief is de advocaat tijdens een intern fraudeonderzoek? “De Amerikaanse manier van werknemers ondervragen komt zo ongeveer neer op een cross examination.”

Ze worden direct benaderd “als verdachte”. Ander voorbeeld: “Amerikaanse advocaten roepen vaak gelijk dat ongeveer de helft van de mensen eruit moet.” Discipline noemen Amerikanen dat.

“Dat doen ze voor de bühne, om aan justitie te laten zien hoe daadkrachtig ze zijn. Nederlandse advocaten – ik ook – vinden dat dat niet kan.”

Meer lezen? Het hele interview staat in NRC Handelsblad.