Nooit zin in seks? Doe de aseksualiteitstest!

Aseksualiteit is geen stoornis en ook geen keuze. Het is een seksuele oriëntatie, net als homo- en heteroseksualiteit. Ongeveer één procent van de mensen is aseksueel. Nu is er ook een vragenlijst voor.

‘Seks heeft geen plaats in mijn leven.” „Ik heb er alles voor over om situaties te vermijden waar misschien seks van me verwacht wordt.”

Dat zijn twee items van een nieuwe vragenlijst, bedoeld om een vierde type seksuele oriëntatie vast te stellen, naast hetero, homo en bi: aseksualiteit. Psychologen van de universiteit van British Columbia in Vancouver publiceerden de vragenlijst vorige maand online in het vakblad Psychological Assessment.

Zo’n instrument was nodig, schrijven de psychologen, omdat proefpersonen in het nog schaarse onderzoek naar aseksualiteit meestal geworven worden via speciale organisaties voor aseksualiteit (zoals AVEN, zie voetnoot). Dan mis je dus de mensen die zichzelf nog niet als aseksueel hebben geïdentificeerd, maar dat wel zijn. Die mensen kennen de term aseksualiteit misschien niet, en zouden zichzelf weleens als homoseksueel of heteroseksueel kunnen beschouwen omdat ze geneigd zijn verliefd te worden op mensen van hetzelfde of het andere geslacht. Want ja, aseksuelen kunnen wel degelijk verliefd worden. Sommigen kunnen trouwens ook seksuele lust ervaren, alleen niet op anderen gericht; sommigen masturberen. Welkom in een wereld vol misverstanden.

En in een rare wereld? Ach, het is maar wat je raar vindt, zegt psycholoog Tony Bogaert van Brock University, een Canadees van Nederlandse afkomst, via skype. Misschien is seks wel raar. „Als je een aseksueel perspectief op de wereld inneemt”, zegt hij, „dan zie je hoe seks mensen een hoop problemen oplevert. Seksualiteit is voor veel seksuele mensen een bron van passie en plezier, maar het is ook een beetje gek. We gaan er rare dingen door doen, we hebben last van rare vormen van jaloezie. Seks is zo met onze cultuur verweven. Ook met marketing, met kunst...”

Nooit zin

Aseksuelen staan daarbij en kijken ernaar. Het zijn mensen die nooit zin hebben in seks met iemand anders, die zich niet seksueel aangetrokken voelen tot anderen. Niet tot mannen, niet tot vrouwen. En er is nog maar weinig wetenschappelijks over hen bekend; het onderzoek naar aseksualiteit kwam pas een jaar of tien geleden op gang. In 2004 publiceerde Bogaert een studie waaruit bleek dat ongeveer één procent van de mensen aseksueel is (in Journal of Sex Research).

Bogaert is inmiddels een expert op het gebied; twee jaar geleden publiceerde hij het boek Understanding Asexuality. Hij was niet betrokken bij het ontwikkelen van de nieuwe vragenlijst, maar hij is er wel enthousiast over. „Een vragenlijst als deze kan mensen als aseksueel identificeren, of ze zichzelf nu als aseksueel zien of niet.” De vragenlijst bestaat uit twaalf subtiel geformuleerde items.

Er zijn veel misverstanden over aseksualiteit, schrijven de vragenlijstontwikkelaars uit British Columbia (Canada) in hun artikel. Er wordt wel gedacht dat aseksuelen bang zijn voor seks, dat ze heel religieus zijn, dat ze bewust gekozen hebben voor een celibatair leven, dat ze getraumatiseerd zijn of dat aseksualiteit een psychische of lichamelijke stoornis is in plaats van een seksuele oriëntatie. Veel mensen beschouwen aseksuelen als een minderwaardig, minder menselijk soort mensen, lieten weer andere Canadese onderzoekers zien (Group Processes and Interpersonal Relations, 24 april 2012 online). Mensen zouden bijvoorbeeld niet graag een huis verhuren aan een aseksueel persoon, of aseksuelen een baan aanbieden, bleek uit hun studie.

Maar aseksualiteit is dus geen keuze, geen religieuze kwestie, geen gevolg van een trauma. Aseksuelen zijn ook in het algemeen niet bang voor seks, ze voelen zich alleen niet lustvol aangetrokken tot anderen.

Niet lustvol, niet seksueel, maar soms wel liefdevol, wel romantisch – een deel van de aseksuelen wordt weleens verliefd. In Bogaerts artikel uit 2004, over de Britse survey uit 1990, woonde eenderde van de aseksuelen samen of was gehuwd; daarnaast had een op de negen aseksuelen weleens een lange relatie gehad.

„Dat weten veel mensen niet”, zegt Bogaert. Aseksuelen zijn een interessante demonstratie van het feit dat seksualiteit ten minste deels los te koppelen is van romantiek. Je ziet dat elders ook: gemiddelde, heteroseksuele mensen kunnen zich soms romantisch aangetrokken voelen tot mensen van hetzelfde geslacht.” Bogaert zou dan ook graag zien dat de termen ‘heteroromantisch’ en ‘homoromantisch’ meer gebruikt zouden worden, om de terminologie zuiver te houden. „Als we de seksuele oriëntatie van mensen bepalen, moeten we eigenlijk ook hun romantische oriëntatie bepalen.”

Wie heeft hier een probleem?

Het verschil tussen aseksualiteit en seksuele stoornissen, zoals hypoactive sexual desire disorder (HSDD), is trouwens nog niet zo makkelijk vast te stellen, zegt Bogaert desgevraagd. „Bij sommige aseksuelen wordt waarschijnlijk die diagnose wel gesteld. En op een bepaalde manier is er inderdaad een theoretische overlap. Maar je mag die diagnose alleen stellen als mensen er zelf last van hebben. Als mensen geen probleem zien in hun gebrek aan seksuele lust en toch die diagnose krijgen, is dat ten onrechte.”

Maar als ze wel een partner hebben, krijgen ze misschien last van hun aseksualiteit omdat hun relatie eronder lijdt? Dat klopt, zegt Bogaert. „De vraag is dan: is die stress inherent, is het deel van iemand, of ondervindt iemand druk om seksueel actief te zijn van een partner of de maatschappij? En wie heeft dan de stoornis, is dat de aseksuele persoon zelf of de samenleving die iemand in een categorie duwt waar diegene niet in thuishoort?”

Dat is een stokpaardje van Bogaert: wie heeft hier eigenlijk een probleem? Vroeger werd het als een deugd gezien, zegt Bogaert, als mensen weinig (zin in) seks hadden. „In de laatste twintig, vijfentwintig jaar is dat omgekeerd.” Hij schreef dat al in 2006 in Review of General Psychology.

„Tot op zekere hoogte zijn het vast willekeurige fluctuaties. Maar het heeft waarschijnlijk ook te maken met de quick-fix-mentaliteit in de huidige samenleving en onze medische kijk op het leven. Alles wat niet in overeenstemming is met de norm wordt gemedicaliseerd. Nu lijken we weer op weg naar een betere balans. Mede dankzij de wetenschappelijke artikelen die beschrijven dat aseksualiteit geen stoornis is maar een seksuele oriëntatie. Je hoeft niet alle variatie te zien als een potentieel probleem dat gerepareerd moet worden.”