Mijn leven als monnik

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: Narziss und Goldmund van Hermann Hesse

Illustratie Marike Knaapen

Voor de romantiek van het klooster ben ik nooit immuun geweest. Vooral tijdens mijn studiejaren leek het me wel wat: een leven van rust, reinheid en regelmaat, van ongestoord ora et labora, waarbij het bidden in het geval van een ongelovige als ik vervangen kon worden door lezen; jezelf overgeven aan contemplatie en de dingen die er echt toe doen. Mijn ideaalbeelden haalde ik uit de literatuur – uit De Naam van de Roos, met zijn tot de verbeelding sprekende beschrijving van het dertiende-eeuwse kloosterleven (al was je in de abdij van Umberto Eco je leven niet zeker), en uit Narziss und Goldmund van Hermann Hesse, waarin het vergeestelijkte bestaan in een middeleeuws klooster wordt gecontrasteerd met het leven ‘in de volheid’ buiten de muren.

De bedoeling van Hesse is dat de lezer sympathiseert met de zwerver-kunstenaar Goldmund, die anders dan zijn boezemvriend Narziss het klooster ontvlucht en het leven ontdekt, inclusief liefde, seks, verraad en dood. Als Goldmund aan het eind van zijn leven terugkeert in de abdij, weet hij op zijn sterfbed niet of hij het juiste leven heeft geleid. Maar ook Narziss, die na een prachtige carrière abt is geworden, is aan het twijfelen geslagen: ‘Zijn functie, zijn geleerdheid, zijn keurig opgebouwde, systematisch geordende gedachtestelsel, dat waren allemaal dingen die door de confrontatie met zijn vriend op hun grondvesten gewankeld hadden […] Misschien was het moeilijker, moediger en nobeler met kapotgelopen schoenen door de bossen en over de grote wegen te zwerven, zon en regen, honger en gebrek te ondergaan, de genoegens van de zinnen te genieten op een speelse manier en er met lijden en ellende voor te betalen’ (vert. Pé Hawinkels).

Misschien wel. Maar net zoals Goldmund tijdens zijn avonturen in het door pest, oorlog en onrecht bezochte Duitsland terugdenkt aan zijn rustige dagen in de beslotenheid van het klooster, zo heb ik in het verre verleden weleens gewenst om de stress van het dagelijks leven achter me te laten en een nieuw bestaan als monnik te beginnen.

‘Wees voorzichtig met wensen’, zegt het Chinese spreekwoord; ‘voor je het weet komen ze uit.’ Sinds kort ben ik veroordeeld tot het monastieke leven, een gevolg van de beperkingen die de ALS mij oplegt, als was de ziekte een soort Benedictus van Nursia, wiens Regel voor iedere ordebroeder de leidraad is. Mijn huis is mijn klooster, mijn studeerkamer mijn cel; hoogst zelden kom ik nog extra muros, het merendeel van mijn wandelingetjes maak ik in de eigen tuin. Vijf keer per dag, met de regelmaat van het getijdengebed (van de lauden tot de completen), word ik gevoed, met vloeistof door een sonde; ik doe dus niets anders dan vasten: vlees en vis zijn taboe, net als zoetigheden en andere lekkernijen. Sterke drank kan ik letterlijk niet meer door mijn keel krijgen; zelfs trappistenbier, heel lang het enige dat ik nog lekker vond, is me te machtig geworden.

Matigheid, gehoorzaamheid, nederigheid en zwijgzaamheid – dat zijn de voornaamste deugden die Sint Benedictus van zijn volgers eiste. Ik scoor op alle vier behoorlijk hoog. Ademnood zorgt ervoor dat ik ook in sexualibus maat moet houden. Ik gehoorzaam braaf aan mijn fysieke beperkingen en mijn karige dieet. Nederigheid is in mijn afhankelijke situatie een tweede natuur geworden. En wegens uitvallende spraakspieren steek ik in zwijgzaamheid de devootste monniken naar de kroon; mijn voornaamste bezigheden binnenshuis zijn geluidloos denken, lezen en schrijven.

Je zou zeggen dat ik de ideale kloosterbroeder ben, een tweede Narziss. Maar nee, één door Benedictus gewraakte eigenschap speelt me parten: slaperigheid, casu quo luiheid. Niet alleen tol ik tussen een en twee ’s middags mijn bed in, voor een siësta van een uur of twee, ook komt er na die rustpauze weinig meer uit mijn handen. En vanaf zeven uur kijk ik vanuit mijn gecapitonneerde ligstoel televisie. Ik probeer de kranten erbij te lezen, om mezelf het idee te geven dat ik nog iets nuttigs doe, en heel af en toe steek ik een dvd met een verantwoorde vervolgserie in de dvd-speler, maar meestal heb ik hoogstens fut om weg te zappen van de programma’s die echt beneden ieder niveau zijn.

Ik herken mezelf niet meer terug. Keek ik vroeger hoogstens eens in de maand via Uitzending Gemist naar De wereld draait door, de afgelopen maanden was het steevast het begin van een vier uur durende binge-watch. Zag ik voorheen het Achtuurjournaal af en toe, nu hoeft het alleen te concurreren met South Park op Comedy Central. Om half negen schakel ik naar een film die enigszins redelijk besproken is, en soms zelfs dat niet. Ik ben dol op het ongecompliceerde entertainment dat ik in mijn dancing days alleen aanzette als ik een marathon had gelopen of met een zware verkoudheid kampte: films met James Bond of Harry Potter, Dit was het nieuws, QI, de zaterdagavondshow van Paul de Leeuw.

Volgens mijn kinderen is het dieptepunt van mijn nieuwe kijkgewoonten Ik vertrek, een realityprogramma over een steevast slecht voorbereid stel dat een bed & breakfast wil beginnen in een veel te ver buitenland. Zelf geniet ik er erg van, maar ik ben me er pijnlijk van bewust dat Narziss het niet zou goedkeuren en dat Benedictus zich in zijn graf omdraait.