Midden in de zomer zat ik kerstverhalen te schrijven

Deze ontmoeting liep anders dan de meeste gesprekken in deze reeks. Verslaggever stelt vragen en noteert de antwoorden – zo gaat het meestal. Dit keer waren de rollen al meteen omgedraaid. Op mijn eerste vraag ‘Zullen we, in deze donkere dagen, over geloof praten?’ antwoordde ze: „Dat is goed. Maar vertel me dan eerst even wat u zelf gelooft. Ik vind het fijn de achtergrond van uw vragen te kennen.”

Met de opmerking dat „ik mezelf niet als gelovig zou willen bestempelen” kwam ik niet weg. Een dialoog ontspon zich als vanzelf.

Zij: „Aan het woord ‘geloven’ kun je verschillende betekenissen toekennen. Het gaat me meer om inspiratiebronnen.”

Dit werk als verslaggever is mijn inspiratiebron, probeer ik – verhalen over krachtbronnen van mensen.

Zij: „Ervaart u zelf zoiets als de sturende hand van een God?”

Nee, ik niet – maar er is vast een ‘hogere’ werkelijkheid die het beperkte menselijk brein te boven gaat...

Zij: „Dat klinkt als ‘ietsisme’.”

Ik, ietsist? Nee, ik bedoel het eerder exact: de menselijke kennis van de fysica heeft z’n grenzen nog niet bereikt, laat staan die van de metafysica.

Zij: „Kan daarin een plek voor God zijn?”

Ik denk: niet als een poppenspeler die aan alle touwtjes trekt. Misschien als ‘de God van Spinoza’ – als een ander woord voor een allesomvattende, natuurlijke orde waarvan de mens deel uitmaakt.

Nelleke Viëtor gaat naar de keuken en keert terug met thee.

Maar zal ik nu weer de vragen stellen? Wat gelooft u?

„In mijn geloof neemt de figuur van Jezus een prominente plek in. Hij is voor mij de verpersoonlijking van de voorbeeldige mens. Hij houdt ons voor: kwaad moet je niet met kwaad vergelden. Hij leert ons: íeder mens telt, de wereld is niet alleen maar van de machtigen en de rijken; die is van ons allemáál, ongeacht je plek in de samenleving, of wat dan ook.”

Dergelijke inspiratie kunnen we ook aan Boeddha ontlenen.

„Ach, als God had gewild dat ik Boeddhist was, had hij me wel in Azië geboren laten worden. Ik ben nu eenmaal christelijk opgevoed, remonstrants bovendien.”

Wat leert het remonstrantse geloof?

„Het is niet dogmatisch. Het is je eigen verantwoordelijkheid wat je wel en niet gelooft. Remonstranten zijn liever met de juiste vraagstelling bezig dan met het uitdragen van de zogenaamde oplossing. Daarmee is het typisch iets voor mensen die ervan houden hun gevoel en verstand te onderzoeken.”

Dat klinkt eerder filosofisch dan religieus: steeds op zoek naar de vragen áchter levensvragen?

„Verstand én gevoel. Er moet ook ruimte zijn voor mysterie, voor emotie.”

Zoals?

„Neem het kerstfeest. Ik neem het verhaal niet letterlijk, met die kribbe en die herders en zo. Het verhaal raakt aan onze diepste emoties, aan de drang om bescherming te bieden aan het allerkwetsbaarste leven dat je je kunt voorstellen: een schepsel dat geboren is op een plek voor het vee – en dat juist dit kind een belofte is voor de hele wereld.”

Het kind als onbeschreven blad? Iedere geboorte is een wonder – zoiets?

„Dat mag je ervan maken als dat je houvast en inspiratie biedt. Maar overdrijf het niet, zou ik zeggen. Voor het geloof is het Paasverhaal belangrijker dan het Kerstverhaal: over een man die sterft aan het kruis, een afschuwelijke dood, en dat God hem – ook al denkt hij van niet – trouw blijft tot in de dood, dat lijden en verlossing onlosmakelijk bij elkaar horen.”

Dat is inderdaad een moeilijker verhaal. Het Paasfeest gaat in deze tijd toch meer over kuikens en eieren dan dat het een lijdensverhaal met een happy end is.

„Ja, logisch wel. Rondom een baby, middenin de winternacht, bouw je makkelijker een fijne sfeer dan rondom zo’n akelig kruis op een schrale voorjaarsdag. Maar dat is niet erg. De intense beleving van wat je samenbrengt en met elkaar wilt delen, is er niet minder om.”

Geloven als een vorm van gezelligheid?

„Ik zeg het liever anders: ik heb graag m’n hele familie bij elkaar om te vieren dat wij het goed hebben met elkaar en om aan elkaar door te geven dat we niet alleen op de wereld zijn.”

Hoe geeft u dit door?

„Het kerstdiner is voor mij een belangrijk ritueel. Ik heb een groot, samengesteld gezin, met drie kinderen van mijn man en vier kinderen van mezelf, met partners, en negentien kleinkinderen. Op Kerstavond zitten we al gauw met z’n dertigen aan tafel. Dan leest een van ons uit Lucas 2:1. En ik heb zelf een Kerstverhaal geschreven.”

Het zelf geschreven verhaal is onderdeel van de traditie?

„Nee, maar het voorlezen wel. Mijn moeder deed het al. Het is moeilijk een geschikt verhaal te vinden. De meeste zijn te lang en te vroom.”

Toen dacht u: ik schrijf het zelf?

„Ja, zo ging het vorig jaar. En ik had er plezier in. Ik had een kleindochter van 14 gevraagd het voor te lezen en er niet bij gezegd dat ik het zelf had geschreven. Ik merkte aan tafel dat het goed viel. En zo kwam het idee in me op om een bundeltje verhalen te maken. Midden in de zomer, toen de mussen van het dak vielen, zat ik kerstverhalen te schrijven.”

Verhalen met een blijde boodschap?

„Verhalen van hoop, ja. Elkaar verhalen vertellen – dat is voor mij een belangrijk onderdeel van het geloof. Zo geef je gedachten aan elkaar door, over levenshouding en visies op het leven, ook, juíst aan kinderen. En niet belerend, dat is nutteloos, zeker bij kinderen – en gelijk hebben ze.”