Latijn bleef tot in de 18de eeuw in zwang: 6 feiten

1

Het Latijn werd tot 1750 nog volop gesproken en ook onderwezen als een levende taal.

Als een docent in die periode „Aperte fenestram” zei, zou een student opstaan en het raam openen. Na circa 1750 zouden de leerlingen de pen pakken en die zin opschrijven. Op scholen werd tot halverwege de 18de eeuw veel gebruik gemaakt van Colloquia: boekjes met allerlei standaarddialogen in het Latijn: goeiedag zeggen, iets kopen, ergens over discussiëren. Zodra kinderen naar school gingen – rond hun zesde – begonnen ze daarmee. Als de leerlingen al wat verder waren, mochten ze op school soms alleen nog maar Latijn spreken. Er is een anekdote over Georgius Macropedius (Joris van Lanckvelt), een beroemd toneelschrijver en rector van een Utrechtse school. Hij ging ooit met zijn leerlingen naar het platteland. De leerlingen mochten alleen met de dienstmeid in het Nederlands spreken, omdat zij de enige was die geen Latijn kende.

2

Noord-Europeanen spraken in de zestiende en zeventiende eeuw beter Latijn dan Zuid-Europeanen.

Dat wordt vaak beweerd in teksten uit die tijd. Je zou verwachten dat de Italianen, de Spanjaarden en de Portugezen het best Latijn spraken, want hun moedertalen staan nog het dichtst bij het Latijn. Maar waarschijnlijk was het onderwijs in Noord-Europa veel beter dan in Zuid-Europa.

Sommige intellectuelen uit die tijd waren tegen het gebruik van gesproken Latijn in huis-tuin-enkeukensituaties. Dat zou een slechte invloed hebben op de schrijfstijl. Maar het merendeel vond het mooi meegenomen dat je er internationaal goed mee uit de voeten kon. Studenten konden in heel Europa colleges volgen, geleerden konden overal lesgeven, en er werd ijverig gecorrespondeerd in het Latijn. Wel werd dat Latijn in ieder land anders uitgesproken. Dat leidde soms tot wat ongemak. Erasmus dacht van zichzelf dat hij goed Latijn sprak, maar in Italië konden ze hem niet goed verstaan.

3

De beroemdste Latijnse dichter van de 16de eeuw was een Nederlander.

De Nederlandse Neolatijnse schrijvers van de zestiende eeuw zijn in Nederland veel minder bekend dan de Nederlandstalige schrijvers van de zeventiende eeuw (Vondel, Hooft, Bredero). Toch is hun literaire werk minstens zo goed. Janus Secundus (die in het gewone leven Jan Everaerts heette) werd in Europa wereldberoemd met zijn liefdesgedichten, Macropedius schreef vrolijke komedies die in heel Europa werden opgevoerd, en Justus Lipsius (Joost Lips) schreef prachtige essays in briefvorm. En dan is er natuurlijk nog Desiderius Erasmus.

4

De klassieke Romeinse teksten maken maar 0,02 promille uit van alle in het Latijn overgeleverde teksten.

Volgens de Duitse classicus Jürgen Leonhardt is de hoeveelheid overgeleverde Latijnse teksten van ná het het Romeinse Rijk ongeveer tienduizend keer zo omvangrijk als wat we nog hebben uit de Romeinse tijd. En van dat Romeinse materiaal is 80 procent laat-Romeins-christelijk.

Voor de literatuur uit het Romeinse Rijk heeft de tijd als een soort zeef gewerkt. Voor de Middeleeuwen is dat ook tot op zekere hoogte het geval. Maar zodra de boekdrukkunst zijn intrede doet, gaan er niet zo heel veel teksten meer verloren. Van het Neolatijn is het grootste deel behouden gebleven. Behalve als er te veel van gedrukt is. Dat wordt wel the printer’s paradox genoemd: hoe meer er van iets gedrukt wordt, hoe groter de kans dat het verloren gaat (denk maar aan kranten). Er zijn bijvoorbeeld maar weinig exemplaren van schoolboekjes uit de Renaissance bewaard gebleven.

5

Montaigne was de laatste moedertaalspreker van het Latijn.

Een taal sterft uit als de laatste moedertaalspreker van die taal sterft. Wanneer leefde hij? In de zesde en zevende eeuw zijn er mensen die van zichzelf constateren dat ze geen echt Latijn meer schrijven en spreken. Het Latijn veranderde in Rome tussen 500 en 800 langzaam in een Italiaans dialect, en elders in allerlei andere Romaanse dialecten.

De Franse schrijver Michel de Montaigne (1533-1593) vertelt in zijn Essays dat hij van zijn tweede tot zijn zesde levensjaar alleen in het Latijn werd toegesproken. Daardoor zou hij het Latijn op een natuurlijke manier geleerd hebben, „zonder grammatica”. Pas op zijn zesde zou Montaigne Frans hebben geleerd. Als het inderdaad zo gegaan is (je weet het nooit bij iemand als Montaigne), dan was hij misschien de laatste die het Latijn als moedertaal geleerd heeft.

6

Er komen nog ieder jaar nieuwe Latijnse woorden bij.

In het Vaticaan zit een instituut dat nog van tijd tot tijd nieuwe Latijnse woorden verzint: de Latinitas Stichting. In de meest recente lijst van neologismen (uit 2004 al weer) is een computer een instrumentum computatorium, en een tv-serie een fabula televisifica. Soms zijn de voorgestelde neologismen erg omslachtig. Een spijkerbroek bijvoorbeeld is een bracae linteae caeruleae (letterlijk: blauwe linnen broek) en een bikini een vesticula balnearis Bikiniana (Bikiniaans badpak). De Latijnse Wikipedia (Vicipaedia) hanteert soms andere neologismen. Daar is een computer bijvoorbeeld een computatrum. En een spijkerbroek bracae Genuenses, of kortweg Genuenses.