Koop een staatslot en verlies

Of ik al een oudejaarslot heb, vraagt mijn kapper. Hij gaat deze Kerst zijn hele gezin van loten voorzien. Want kijk, legt hij uit, de kans op winnen is 50 procent. Vorige Kerst trakteerde hij zijn familie ook op loten. Toen had alleen zijn dochter een bonus van € 7,50 in de wacht gesleept. Dit jaar gaat het vast beter, zegt hij. Als hij de hoofdprijs wint, koopt hij een huis op Ibiza en een Porsche.

Als mijn kapper wint, kan hij ook rekenen op een bezoekje van de Begeleider Prijswinnaars van de Staatsloterij. Wat zal deze hulpverlener hem gaan vertellen? Ongetwijfeld dat je van geld niet gelukkig wordt. Dat cliché is voor loterijwinnaars namelijk maar al te waar.

Neem Jack Whittaker die twaalf jaar geleden 315 miljoen dollar in een Amerikaanse loterij won. Hij werd meermaals bestolen, kreeg een drankprobleem, tot overmaat van ramp stierf zijn kleindochter en na vijf jaar was al het geld op. Whittaker is geen uitzondering. Volgens de statistieken gaan loterijwinnaars vaker failliet dan minder fortuinlijke burgers.

Natuurlijk stijgt de gelukscurve van de winnaars aanvankelijk crescendo. Maar al na luttele maanden keert ze in een steile duikvlucht terug naar het oude niveau, om bij sommigen – zoals Whittaker – ver daaronder te eindigen. Zo’n Begeleider Prijswinnaars is dus hard nodig.

Een Begeleider Verliezers hebben ze niet bij de Staatsloterij. Toch is daar wel iets voor te zeggen. Want je hebt gewone verliezers – mijn kapper vorig jaar – maar ook zielige pechvogels, die best wat troostende woorden kunnen gebruiken. In de laatste categorie valt de vrouw – echt gebeurd – die in twee loterijen meedeed en ook twee keer de juiste nummers had. Maar in loterij A had ze de goede nummers voor loterij B en vice versa. Om gek van te worden, toch?

Voor psychologen zijn de pechvogels interessant, want ze laten iets zien van hoe mensen denken over kansen. Zo geloven we hardnekkig dat toeval rechtvaardig moet zijn. Dat heet de Monte Carlo-illusie: op 18 augustus 1913 kwam aan de roulettetafel in het casino van Monte Carlo het balletje 26 keer achter elkaar op zwart terecht. De aanwezige spelers zetten vervolgens groots in op rood. Ze waren er heilig van overtuigd dat die kleur de beste kaarten had. Maar roulettetafels hebben geen geheugen, laat staan enig gevoel voor verdeelde rechtvaardigheid. De kans op rood is daarom – wat de voorgeschiedenis ook mag zijn – steeds even groot als de kans op zwart, namelijk bijna 50 procent. En ja hoor, het balletje in Monte Carlo kwam die achttiende augustus andermaal op zwart terecht en de spelers moesten zware verliezen incasseren.

De hoogleraar psychologie Willem Albert Wagenaar (1941-2011) maakte intensief studie van onze weigering om stom toeval te accepteren. Die weigering, zo liet Wagenaar zien, manifesteert zich op allerlei terreinen.

Het kan de werknemer treffen die verdachte wordt omdat hij per toeval op het bedrijfsterrein aanwezig was toen daar brand uitbrak. Maar het verklaart ook waarom wij sterke verhalen vaak toch voor betekenisvol houden. Over de merkwaardige coïncidenties in zulke verhalen – man wordt drie keer achter elkaar door de bliksem getroffen – zeggen we dan: dit kan geen toeval meer zijn. Wagenaar schreef er prachtige stukken over. Een groot aantal daarvan is nu gebundeld en net verschenen onder de titel Eenvoudige dingen die we nooit zullen leren.

Twee hoofdstukken in Wagenaars boek gaan over de Staatsloterij. Als één organisatie de kunst verstaat om ons gebrekkige begrip van toeval uit te buiten, is het wel de Staatsloterij, aldus Wagenaar. De winkans wordt door deze organisatie inderdaad voorgesteld als 50 procent. Wagenaar legt uit dat dit percentage vooral slaat op troostprijzen, die feitelijk ondermaatse uitkeringen zijn. Je kunt, schrijft hij, de Staatsloterij het beste vergelijken met een wisselautomaat waarin je 15 euro stopt en dan krijg je de helft terug.

Waarom doen we daar aan mee? Omdat de wisseltruc als lucratief wordt afgeschilderd. Kijk naar de website van de Staatsloterij. Het kader dat een hoofdprijs weergeeft („€ 1.000.000”) staat schouder aan schouder met een blok dat de wisseltruc weergeeft („1 op 2”). Geslepen. Wagenaar: „De overheid bedriegt haar burgers en verzaakt daarbij een essentiële taak: voorlichting.”

Er gaan dit jaar miljoenen oudejaarsloten over de toonbank. Er is één hoofdprijs van 30 miljoen en er zijn tien hoofdprijzen van 1 miljoen. Dat mijn kapper in 2015 door de bliksem wordt getroffen is aannemelijker dan dat hij met een Porsche naar Ibiza emigreert. Ik zei het anders tegen hem: koop dat boek van Wagenaar voor minder dan de prijs van twee staatsloten en de kans dat je het leuk vindt, is vele malen groter dan de kans dat je dochter in de Staatsloterij meer dan de inzet terugwint.