Is waargebeurd een excuus?

De relatie tussen fictie en privacy stond deze week weer ter discussie toen schrijfster Emma Curvers door haar vader werd gedaagd. Haar uitspraken in een interview in de Volkskrant lijken het grootste probleem te vormen.

Foto Fred van Diem

‘Ze lengde werkelijke gebeurtenissen aan met fictie, maar verzon minder dan ze vooraf in gedachten had’, schrijft journalist Gidi Heesakkers in haar interview met debutante Emma Curvers op 11 september in de Volkskrant. Aanleiding is de vlak daarvoor verschenen roman Iedereen kan schilderen. Emma Curvers wordt gevraagd naar haar eigen achtergrond en de inspiratiebronnen voor de roman, en daarop vertelt de schrijfster dat een van haar hoofdpersonages, Hans Kostons, voor een belangrijk deel is geïnspireerd op haar vader. En deze Hans Kostons is een aan depressies lijdende hypochonder die alle aandacht opeist.

Deze week diende het kort geding dat de vader van Emma Curvers had aangespannen tegen zijn dochter. Hij wil dat de roman uit de handel wordt genomen en eist rectificatie van het interview in de Volkskrant. Volgens hem is het boek onnodig grievend en wordt zijn privacy geschonden. De advocaat van Emma Curvers betoogde dat romans vaak zijn gebaseerd op werkelijke personen en dat de werkelijkheid nu eenmaal tot het domein van de schrijver behoort en dat de twee niet gelijkgeschakeld mogen worden.

De rechter vroeg woensdag aan Emma Curvers of ze zich tijdens het interview gerealiseerd had dat ze met haar uitspraken over het werkelijkheidsgehalte de lezer het idee zou kunnen geven dat haar romanpersonage wel degelijk gelijk stond aan haar vader. Lag het nu niet enorm voor de hand om die twee te koppelen? De vraag van de rechter roept twee vragen op. Ten eerste: in hoeverre is een auteur verantwoordelijk voor de gedachten van de lezer? Ten tweede: is een auteur aansprakelijk voor de gevolgen die de gedachten van de lezer kunnen hebben voor de inspiratiebronnen van de auteur?

Het antwoord op de eerste vraag is simpel: een schrijver kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor hoe een lezer een roman of fictie interpreteert. Maar de vraag van de rechter geeft wel aan dat het gebruikelijker is geworden om romans direct aan de werkelijkheid te koppelen. Lezers en journalisten willen steeds meer weten wat er nu werkelijk is gebeurd.

Er lijkt koudwatervrees te bestaan tegenover een strikt fictionele wereld. Dat de categorie fictie een groter aandeel heeft in de daling van de boekverkopen dan non-fictie lijkt te bevestigen dat de lezer zoekt naar houvast in de werkelijkheid. Vandaar ook dat de vraag ‘Is het echt gebeurd?’ in een of andere vorm in interviews met een schrijver vaak opduikt.

Daarmee kom je meteen op de tweede vraag: heeft de vader van Emma Curvers een punt wanneer hij een rectificatie wil van het interview? Emma Curvers zegt daarin onder meer dat ze via-via hoorde dat ze onterfd is en dat haar vader haar heeft ‘weggedaan’. Hij spreekt dat tegen, en legde ter zitting uit dat hij zijn twee dochters verschillend gaat bevoordelen in zijn testament. En door over de ‘stoornissen van haar vader’ te praten ondervindt hij nu last in het Limburgse dorp waar hij woont en wordt hij naar eigen zeggen door sommige mensen gemeden.

Dat de eis dat de roman uit de handel moet worden genomen weinig kans lijkt te maken, wijst de geschiedenis van eerdere rechtszaken tegen romans uit. De zaak-Curvers doet bijvoorbeeld sterk denken aan het kort geding dat in 2000 werd aangespannen tegen Hans Dorrestijn toen zijn roman Finale Kwijting verscheen. Zijn ex-vrouw meende dat de manier waarop over haar huwelijk met Dorrestijn was geschreven een inbreuk was op haar privacy en ook dat Dorrestijn onnodig grievend was. Exact dezelfde argumenten als waarmee vader Curvers komt aanzetten. Dorrestijn kreeg indertijd van de rechter gelijk.

Zandvoort

Ook in andere bekende zaken trok de schrijver meestal aan het langste eind: W.F. Hermans werd in 1952 vrijgesproken toen hij de katholieken had beledigd; Gerard Reve won zijn ‘ezelproces’ zestien jaar later (zijn pleitrede voor het hof is nog steeds een van de beste formuleringen van het argument dat de literaire wereld niet de echte is); Pieter Waterdrinker werd in 1999 aanvankelijk veroordeeld tot het betalen van een boete van 500 gulden wegens het beledigen van een Zandvoortse burgemeester in zijn roman Danslessen, maar werd twee jaar later definitief vrijgesproken. Ook Peter Koelewijn verloor vorig jaar zijn zaak tegen A.F.Th. van der Heijden toen hij zijn moeder meende te herkennen in de vrouw van ‘aborteuse praktijken’ in de roman De Helleveeg.

Herman Brusselmans verloor deels nadat hij in zijn roman Uitgeverij Guggenheimer de modeontwerpster Ann Demeulemeester onder andere ‘een dwergpoliep met puitenogen’ had genoemd. Hij moest een schadevergoeding van 5.500 gulden betalen en het boek moest in afwachting van de uitspraak uit de handel. Uiteindelijk kwam er geen verbod.

Een van de weinige schrijvers die zo’n soort rechtszaak heeft verloren is L.H. Wiener, omdat hij een zekere Jansen uit Zandvoort (blijkbaar een gemeente met lichtgeraakte personages) had geridiculiseerd en een strandpaviljoenhouder zich herkende in het personage. Wiener verloor en de bundel Seizoensarbeid moest uit de handel worden genomen. In een herziene druk verdween de naam ‘Jansen’.

Maar dat is inmiddels 47 jaar geleden. Deze zaak lijkt dan ook meer te gaan over wat een schrijver in een interview mag zeggen, dan in de roman. Hoe ver de vrijheid van de schrijver in de journalistieke werkelijkheid reikt, weten we op 8 januari. Dan doet de rechter uitspraak.