Ik spreek uit ervaring

PvdA-senator Adri Duivesteijn droeg deze week voor de tweede keer bij aan een bijna-kabinetscrisis. Hij is de ruilhandel tussen de regeringspartijen zat. Duivesteijn stemt niet zomaar mee, hij is een man van principes.

Foto Robin Utrecht

Adri Duivesteijn heeft krankzinnige dagen achter de rug. Surrealistisch bijna, met cameraploegen die stonden te posten in zijn straat. „Ik ben belegerd, alsof er hier in huis een groot sportevenement gaande was.” Dat hij tegen de zorgwet zou stemmen, kon voor zijn partij geen verrassing zijn. „We hebben er zes weken gedegen over gediscussieerd. Twee weken geleden was al duidelijk dat er tegenstemmen zouden zijn. Het waren er méér dan drie, maar die anderen hebben zich op de valreep alsnog laten overtuigen. Voor mij is dit zo principieel. Het gaat om rechtsgelijkheid. Mensen die geld hebben, zouden toegang tot betere zorg kunnen krijgen. Dat is een tweedeling in de zorg. Een sociaal-democraat kan daar alleen maar tegen in opstand komen.”

Alle ogen waren in december 2013 ook al op hem gericht. Zou Duivesteijn in de Eerste Kamer tegen de verhuurdersheffing van minister Stef Blok stemmen? Dat zou het kabinet rechtstreeks in gevaar kunnen brengen. Na een lang debat kwam er toch geen Nacht van Duivesteijn. De PvdA-senator stemde uiteindelijk vóór, waardoor de wet met 38 tegen 37 stemmen alsnog werd aangenomen. Dat hij op dat moment nog heel andere dingen aan zijn hoofd had, wist niemand. Want in exact diezelfde periode hoorde hij dat hij niet meer geopereerd kon worden.

„Dat kwam ontzettend hard aan”, zegt Duivesteijn (64). Hij had op dat moment al zeven jaar behandelingen tegen prostaatkanker achter de rug, waaronder vier operaties. „Zolang je hoort dat er nog geopereerd kan worden, houd je perspectief. Zodra dat wegvalt, komt alles in een ander licht te staan.”

Toch is hij inmiddels alweer een jaar verder. Zijn medicijnen houden hem op de been. Duivesteijn is er nu zelfs beter aan toe dan een half jaar geleden. Toen dacht hij echt dat het einde niet ver weg meer kon zijn. Door de hormoonkuur die hij sinds een paar maanden krijgt, voelt hij zich relatief goed. Zoals hij daar aan de glazen tafel zit, in zijn zwarte wollen vest, zou niemand zelfs maar denken dat hij ziek is. Hij probeert van elke dag te genieten. Tegelijk is hij een realist. Die ziekte zit inmiddels ook in zijn botten. „Je weet dat je niet meer beter zal worden. Dat besef zit voortdurend in je achterhoofd.”

U bent wethouder geweest in Den Haag en Almere, u zat van 1994 tot 2006 in de Tweede Kamer en zit sinds 2012 in de senaat. Wat was de mooiste periode?

„Dat wethouderschap in Den Haag was bijzonder, omdat het mijn eerste periode was. Het wethouderschap in Almere was ook mooi, maar dat was veel professioneler. In die eerste periode had het nog niet zoveel met ‘werk’ te maken, maar met oprechte verontwaardiging over de ongelijke verdeling van de welvaart. Als wethouder kun je werkelijk iets doen. Ik heb een enorme hekel aan mensen die alleen maar structureel kankeren. Dat vind ik zo zonde van de tijd. Ik zoek liever naar oplossingen. Daarom zou ik nooit een getuigenispoliticus kunnen zijn. Zo van: ‘Ik heb tenminste gezegd dat het allemaal niet deugt!’ In GroenLinks zou ik me daarom per definitie niet thuis voelen. Daar krijg je de hele dag gelijk, alleen heb je er niks aan. Ik wil daadwerkelijk woorden omzetten in daden.”

Toen u in 1994 in de Kamer kwam, werd u, samen met PvdA’ers Rick van der Ploeg en Rob Oudkerk, ook min of meer beschouwd als activist, die zijn eigen partij flink wilde opschudden.

„Het waren de jaren van Paars I. En vooral van Felix [Rottenberg, toenmalig partijvoorzitter]. Hij is voor het opschudden van de partij van kolossale betekenis geweest. Het was hoognodig dat de partij gemoderniseerd werd. Felix koos voor dialectiek in het debat. Helaas werd hij ziek, en is die slag nooit goed afgemaakt. Een groot deel van de PvdA is nadien op oude routine doorgegaan. Daarin was tegenspraak zeer nodig.

„Den Uyl was een sociologische vernieuwer. Altijd bereid om zijn oordeel aan dat van anderen te scherpen. Met Wim Kok ontstond een ideologisch vacuüm. Kok was geen ideoloog, hij was niet zoals Den Uyl polemisch ingesteld. Kok was een typische vertegenwoordiger van de vakbondsvleugel binnen de partij: zakelijk, posities uitonderhandelen en altijd gaan voor de winst. En morgen onderhandelen we wel weer verder. Heel erg geconcentreerd op daily life. Terwijl politiek gaat om structuren, om stelsels.”

Wat veranderde er binnen de partij toen Wouter Bos in 2002 partijleider werd?

„Ik heb Wouter Bos nooit een sociaal-democraat gevonden, eerder een progressief liberaal. Hij had wel degelijk maatschappelijk engagement, maar sociaal-democratische standpunten werden onder Bos opeens vloeibaar. Een goed voorbeeld was de discussie binnen de partij over de privatisering van Schiphol. Ik was toen woordvoerder luchtvaart, en was fel tegen die privatisering. De publieke sector moet te allen tijde publiek blijven. Of het nou om ziekenhuizen, woningcorporaties of elektriciteit gaat. Daar blijf je vanaf. Laat staan dat je Schiphol gaat vermarkten.

„Ik zal nooit vergeten dat Wouter Bos zei: ‘Ik ben principieel niet tegen privatisering, ik denk alleen dat we er om praktische redenen op dit moment niet vóór moeten zijn.’ En ik zei tegen de fractie: ‘Ik denk dat het om praktische redenen nog wel zou kunnen. Maar om principiële redenen is het totaal onaanvaardbaar.’ We vertegenwoordigden totaal verschillende denkwerelden. Ik heb me nooit thuis gevoeld in de politieke gedachtenwereld van Wouter Bos.

„In Bos’ tijd is ook het ideaal van de multiculturele samenleving losgelaten. Op zich een te begrijpen reactie na Fortuyn. Maar als je dat ideaal weggooit, hou je alleen nog maar een nationalistisch model over. ‘Wij zijn de heersende klasse, en u dient zich volledig aan ons aan te passen.’ Dat is echt iets anders dan: ‘We gaan serieus kijken hoe groepen met elkaar kunnen samenleven, op basis van wederkerigheid.’ Het feit dat Bos dat heeft prijsgegeven, betekent dat de PvdA nu op dit vlak met lege handen staat. De PVV, en vroeger de LPF, kan de problemen met de multi-etnische samenleving scherper onder woorden brengen dan wie dan ook. Dat hoeven wij helemaal niet te doen. Een sociaal-democratische beweging onderscheidt zich op dit vlak door idealen te hebben.

„Ik had in de tijd van Bos het gevoel dat ik mijn partij kwijt was. Pas toen Cohen partijleider werd, had ik het gevoel dat ik weer thuiskwam. Pffft… we zijn er weer! Cohen heeft de pech gehad dat hij geen premier is geworden. Daarin zou hij perfect geweest zijn. Als oppositieleider was hij niet geschikt. In de hardheid van de meest ranzige aanvallen kon hij niet overleven. Dat kun je ook als compliment zien: hij weigerde eraan toe te geven.”

Was u blij met de komst van Diederik Samsom?

„Daar was ik toen heel positief over. Hij is een activist, dat was ik ook. Maar de wijze waarop het regeerakkoord is afgesloten, vind ik ronduit dramatisch. Maar ja, er is gekozen voor Wouter Bos als informateur. Terwijl daar natuurlijk een man als Klaas de Vries had moeten zitten. Er zijn in het regeerakkoord transacties gesloten zonder op zoek te gaan naar de synthese; wat is jouw belang en wat is mijn belang? Er is vooral uitgeruild: wij krijgen het kinderpardon en leveren de strafbaarstelling van illegaliteit in. Dat is heel gek. Je gaat toch niet twee zwakke groepen tegen elkaar wegruilen?

„Ze hadden moeten dóórdiscussiëren: hoe kunnen we de publieke sector beter laten functioneren? We maken bijvoorbeeld een kleiner sociaal huurstelsel, maar dat stelsel maken we dan wel heel sociaal. Een ander deel gaat naar de vrije markt. Dan hou je én het publieke stelsel overeind én je dient het belang van de VVD. Nu zie je voornamelijk een vergroting van de marktwerking. De vrije artsenkeuze is evenzeer uitgeruild. Terwijl die voor mij essentieel is. Dat zeg ik uit eigen ervaring. Ik was in 2008 in het ene ziekenhuis uitbehandeld, terwijl ik in een ander ziekenhuis toch een nieuwe kans kreeg met een andere behandeling. Ik weet zeker dat dat mij extra levensjaren heeft opgeleverd.

„Het is vooral een VVD-regeerakkoord. Waarschijnlijk ook omdat de sociaal-liberale vleugel nogal sterk vertegenwoordigd is in de partijtop. Die standpunten staan misschien niet ver van henzelf af, maar wel van de klassieke sociaal-democratie. Ideologisch is de PvdA sterk verwaterd, misschien ook wel liberaler geworden.”

Hoe zit dat bij Samsom?

„Hij is van een andere generatie, net als Wouter Bos. Het kan best dat die generatie het minder zwaar neemt. Ik kom nog uit de tijd van zwart en wit. Soms zie je ze denken: ‘Waarom moet alles eigenlijk zo principieel zijn?’”

Ze doen te veel water bij de wijn?

„Dat geldt alleen als je zelf vindt dat je wijn schenkt. Misschien interpreteer ik de beginselen gewoon wat straffer.”

Wat vindt u van de lage plaats op de lijst van collega-senaatslid Ruud Koole?

„Onbegrijpelijk. Ruud Koole is een van de weinigen die altijd vanuit de inhoud weten te reageren. Het is verbijsterend dat je zo iemand op een onverkiesbare plaats zet. Ruud is een van de meest nationale politici die we hebben.”

Is het een straf voor zijn kritiek op de partijtop?

„We leven in elk geval binnen de partij in een cultuur waarin tegenspraak bepaald niet wordt opgezocht en geapprecieerd.”

Hoe komt dat dan?

„Omdat we opgesloten zitten in die kooi van deze coalitie. Dat je nu afhankelijk bent van één stem meerderheid doet zich zwaar voelen. De ruimte om zelfs maar vrijuit te denken is minimaal geworden.”

Had de PvdA wel in deze coalitie moeten stappen?

„Alleen met een derde partij erbij. Met D66 erbij had je in het kabinet een heel ander discours gekregen. Nu is heel veel digitaal, sociaal-democratisch of liberaal, dus is er sneller sprake van confrontatie.”

U had de samenwerking met de VVD vorig jaar tijdens dat debat in de Eerste Kamer kunnen opblazen.

„Opblazen kan nooit een doel op zichzelf zijn. Ik wilde het debat strikt voeren op de inhoud. Daarbij had ik idealen. Ik wilde echt iets binnenhalen. Met de komst van de wooncoöperatie in de Woningwet heb ik mijn knopen geteld en toen mijn beslissing genomen.”

Hoogleraar bestuurskunde Jouke de Vries zei in het tv-programma Buitenhof: „De PvdA heeft een leiderschapsprobleem.”

Na heel lang zwijgen: „Ik vind het weinig zinvol om daarover te praten. Je hebt het over dagkoersen. Voor mij gaat het om fundamentelere dingen.”

In Vrij Nederland zei u: „Samsom is niet de moreel leider van de PvdA.” Wat is hij wel?

„Dat is mij op dit moment niet duidelijk. Als je als partijleider in de fractie blijft zitten, dan moet je het publieke debat substantieel aanzwengelen. Het is erg jammer dat dat niet of nauwelijks gebeurd is. Maar ik heb geen zin om een Samsom-spelletje met u te spelen. Als het vast zou zitten op één persoon, dan was het allang opgelost. Ik ervaar een ideologisch vacuüm. Waar stáát de partij voor, hoe kijkt ze nog naar het publieke belang? Hoe ziet het publieke stelsel eruit? Waar zijn onze idealen met de multiculturele samenleving, ons initiatief in het debat?

„We moeten in Nederland uiteindelijk naar één grote progressieve partij toe. Het wordt hoog tijd dat we ons niet langer opdelen in PvdA, GroenLinks en SP. Het is heel raar dat de PvdA zo bang is voor samenwerking met de SP. Waarom kun je wel samenwerken met de VVD en niet met de SP? Terwijl de SP bij uitstek onze eigen achterban vertegenwoordigt. Het is nogal onverstandig om je daarvan te vervreemden. Net zo goed als het raar is dat mensen in GroenLinks, die volgens mij heel interessante bijdragen aan het maatschappelijk debat zouden kunnen leveren, nu opgesloten zitten binnen een kleine getuigenispartij en daar zelf ook nog eens tevreden mee zijn. Er zou op z’n minst een vergaande samenwerking tussen die linkse partijen moeten komen, met als grote opdracht: het veiligstellen van het publieke belang.”

Wat hij zelf zal meemaken van zo’n brede progressieve partij? Daar denkt hij niet over na. Sinds december vorig jaar kijkt hij niet meer vooruit. „Mijn toekomst is onbetrouwbaar geworden. Ik maak geen grootse plannen meer. Mijn broer John is vorig jaar overleden aan ALS. Binnen twee jaar was hij weg. En toch hebben we samen nog heel veel gedaan. Hij liet mij zien dat elke dag het waard is om geleefd te worden. Vlak voor zijn dood heb ik in een brief aan hem geschreven wat hij voor mij betekende. Ik eindigde met: ‘broer, vriend, bondgenoot’. Hij was mijn broer, werd mijn vriend en eindigde als bondgenoot. Nadien kreeg ik een boek, waarin hij pal voor zijn dood had geschreven: ‘voor Adri; broer, vriend, bondgenoot. Van John’.”

Hij zwijgt. De herinnering ontroert hem zichtbaar. „Van je broer neem je nooit afscheid”, zegt hij dan. „Hij gaat weg, maar blijft van binnen altijd bij je. De dood is op zichzelf niet zo erg, maar wel dat afgesneden zijn van elkaar. Even horen wat hij ervan vond. Ik mis die bondgenoot zo, dat solidair zijn met elkaar.

„John had thuis een citaat van Michael London: ‘Als je iets wilt, doe het dan nu. Het wordt nog maar een beperkt aantal keren morgen.’ Dat besef heb ik altijd gehad. Alleen is dat nu nog intenser dan vroeger. ‘De toekomst’ heeft nu vooral te maken met thuis, met mijn kinderen. Heb ik alles in orde gemaakt? Ik heb me verzoend met de gedachte dat het is zoals het is, heb niet het gevoel dat ik veel moet goedmaken of inhalen. Het bestaan is tot aan de dag van vandaag goed voor me geweest. Ik heb niet veel tijd vermorst. Om mezelf heb ik ook niet veel verdriet. Het doet vooral pijn als je aan je kinderen en partner denkt. Ik heb altijd geloofd in de continuïteit van het leven, de voortgang van het bestaan zelf. Dat vind ik een troostrijke gedachte. Je bent deel van een groter geheel; je doet mee, draagt bij en maakt daardoor samen het verschil.”