Het lot van een kind ligt vast, daar denkt een moeder liever niet aan

De moeder die het lot haar kind aanreikt, denkt niet aan het einde, niet aan de angst en de wanhoop. Ze verwacht de momenten die zijn gevuld met zacht gelach en soep slurpen, de vreugde van het leven, aldus Marjoleine de Vos.

illustratie luojie

Het is mei 1955. De schrijver Vasili Grossman, 51 jaar oud, staat in Moskou voor Rafaels Sixtijnse madonna. Hij kijkt. En hij weet niet wat hem overkomt. Zo heeft kunst nog nooit op hem ingewerkt. Deze jonge, ernstige vrouw met haar mollige, al even afwachtend kijkende zoontje, kent hij. Hij heeft ze gezien, in de jaren die achter hem liggen, hij heeft ze gezien in de gemeenschappelijke woningen in de steden, in afgelegen dorpen waar honger werd geleden, hij heeft de jonge vrouw afscheid zien nemen van dit kind terwijl er twee agenten van de geheime dienst op haar stonden te wachten, zij was het die door de sneeuw liep op de vlakte bij Stalingrad, zij was het die uit een trein stapte in Treblinka. Heel zijn tijdperk heeft ze gedeeld. En niet alleen het zijne, ook dat van de mensen daarvoor. Ook het leven van de mensen hierna zal ze delen, een leven waarvan hij niet verwacht dat het gemakkelijker zal zijn.

Eenmaal thuis schrijft hij over wat hij meegemaakt heeft, staande voor dat schilderij. En hij stelt deze vraag: „Waarom spreekt er geen angst uit het gezicht van de moeder? Waarom klemmen haar vingers zich niet zo stevig om het lichaam van haar zoon dat de dood ze niet zou kunnen losmaken? Waarom wil ze haar zoon niet ontrukken aan het lot?”

Hij weet wat wij allemaal weten: met dat jongetje op het schilderij loopt het niet goed af. Zijn lot ligt vast, hij zal een verschrikkelijke dood sterven. Die jonge vrouw die hem zo behoedzaam de toekomst in draagt, zullen we op heel veel schilderijen terugzien.

Ze is dan een vroegoude vrouw, krijtwit, haar handen wringend in wanhoop, bijna bezwijmend. Want boven haar hoofd hangt haar zoon, naakt, bloedend, als een te villen konijn aan een houten balk gespijkerd. En zij moet het aanzien.

„Waarom klemmen haar vingers zich niet zo stevig om het lichaam van haar zoon dat de dood ze niet zou kunnen losmaken?”

Het is geen vraag. Het is een uiting van wanhoop. Er bestaat immers geen greep zo stevig dat de dood die niet los zou kunnen maken. En deze vrouw probeert dat zelfs niet eens.

„Ze reikt het lot haar kind aan, ze verbergt hem niet.”

Nu, in 2014, las ik die regels. En ik werd er ongemeen door getroffen. Ze reikt het lot haar kind aan. Wat betekent dat?

Ik kijk naar een foto van mijn eigen nog jonge moeder. Ze houdt mij en mijn oudste broertje vast, hij zit bij haar op schoot, ik leun zo dicht mogelijk tegen haar aan. Veiligheid.

„Wat was ik toen onnozel,” zei mijn moeder een keer toen ze naar die foto keek. Dat vind ik helemaal niet. Ik vind haar lief en mooi, ze kijkt zo rustig in de lens, ze biedt zo duidelijk houvast aan de twee kinderen die vanuit haar bescherming naar de fotograaf kijken, mijn broertje onbevreesd, ik enigszins argwanend.

We weten alledrie niet hoe het leven verder zal gaan. Zij weet heus al wel van de onmacht van een moeder, maar misschien nog niet dat die ook voor haar zal gelden. En wij, haar kinderen, weten gewoon nog helemaal niets. We bestaan. We zitten goed.

In die madonna van Rafael weerspiegelt zich ook deze foto. Alle foto’s van moeders met kinderen, van heel arm tot welgesteld, in tenten en tuinen en koude kapotte huizen en in warme kamers en voorjaarslicht. Moeders overal ter wereld met hun kinderen die zelfmoordterrorist worden, honger lijden, gevaarlijk veel macht krijgen, die doodgeschoten worden door een zenuwachtige politieagent, in stukken opgeraapt worden bij een neergestort vliegtuig, werkloos worden, een onopmerkelijk leven leiden, ongeneeslijk ziek blijken.

Voor het lot kun je je niet verbergen. Dat vertellen ons zoveel verhalen, mythen en sprookjes waarin het onontkoombare vaststaat, en waarin ouders proberen het lot te ontduiken. Ze geven Oedipus of Paris mee aan een herder, met de opdracht het kind te doden – maar de herder doet dat niet. Ze halen alle spinnewielen weg uit het kasteel, maar Doornroosje vindt er toch een. Ze dopen hun kind in het onsterfelijk makende water van de Styx, maar houden het bij de hiel en Achilles heeft dus een kwetsbare plek. En niet alleen Achilles. Ook zijn moeder.

De dichteres Hester Knibbe liet in een gedicht Thetis aan het woord, de moeder van Achilles:

en ik

murmelde: mormeltje mijn, ik

noem je, dompel je in onkwetsbaarheid.

Het lachte naar mij, hield me vast

bij de hiel toen het mama zei.

Het noodlot treft de moeder even hard als het kind. Het kind bezorgt haar, door zijn bestaan, een uiterst kwetsbare plek.

Achteraf kijk je naar de foto van een van die alledaagse madonna’s met hun alledaagse kinderen, en denk je: het lot lag al vast. Het is de onvermijdelijke dramatische ironie van het heden: terugkijkend weten we altijd meer dan de mensen op de foto’s, ook als we die mensen zelf zijn.

Bij een geboortefeest, Kerstmis, hoort niet vooral wanhoop over het onbekende lot, er hoort vreugde bij. En terecht: er is een nieuw mens geboren, er zijn nieuwe mogelijkheden, er is een kans dat alles, of anders toch veel, zich ten goede keert.

De filosofe Hannah Arendt meende dat het opmerkelijke aan de mens juist niet zijn sterfelijkheid was, maar zijn ‘nataliteit’, zijn vermogen om steeds weer opnieuw te beginnen. En niet één keer, maar steeds weer, want onze veerkracht, ons vermogen om enthousiast, verliefd, bevlogen, begeesterd te raken is enorm.

Het is geen onnozelheid of vergeetachtigheid of een vorm van kop in het zand steken om bij de geboorte van een kind niet vooral te denken aan wat het allemaal zal overkomen.

Het kleine kind vertegenwoordigt ook hoop, behoefte aan vertrouwen. En meer dan dat nog, vreugde: „Het schilderij ontleent zijn wonderlijke, stille kracht ook aan de vreugde die eruit spreekt een levend wezen op aarde te zijn,” schrijft Grossman.

Wat is dat voor vreugde? Er is vaak aanleiding genoeg om die niet te voelen. Maar het leven zelf kan een levend wezen zo maar vervullen met welbehagen. Kijk naar herkauwende koeien in de wei, de kat in de zon, spelende kraaien die onder een viaduct door duiken. Kijk om je heen en zie dat alles gekleurd is. Welbehagen. Vreugde. Het bestaat en wringt zich altijd overal doorheen een weg naar boven, als een paddestoel door een asfaltweg.

De moeder die het lot haar kind aanreikt, verwacht niet vooral het einde. Ze verwacht alles wat daar vóór komt, al die momenten die gevuld zijn met zacht lachen, met soep slurpen, met opwindende ontdekkingen, overgegeven strelen, totale concentratie op een probleem. Er is alles in de wereld.

De madonna van Rafael is niet alleen maar een idee. Het is ook een schilderij, dat steeds opnieuw mensen betovert. Grossman veronderstelt zelfs dat dit schilderij zijn kracht niet zal verliezen als er geen enkel mens meer is om ernaar te kijken.

Alsof niet de beschouwers de betekenis eraan geven, maar het doek zelf zijn betekenis, belang, schoonheid uitstraalt. Het schilderij is niet alleen verbonden met de wanhoop en de angst om ons lot, maar ook met vreugde, en met iets onbekends en nieuws „alsof er een achtste, nog onbekende kleur wordt toegevoegd aan de zeven kleuren van het spectrum”, schrijft Grossman.

Misschien is het die onbekende achtste kleur die maakt dat je eigen gewone foto’s, je eigen alledaagse leven, als je naar dit schilderij kijkt, verbonden lijken te worden met iets vitaals, iets dat onsterfelijk is.