Het lange leven van Latijn

Maar één op tienduizend teksten in het Latijn is een Romeinse tekst. Neolatijn was overal.

*Blauwe linnen broek**Ondergrondse rij van wagens***Bikiniaans badpak Foto's Thinkstock

Hoe zeg je „Wil je een kopje koffie?” in het Latijn? Voor Jan Bloemendal, classicus en gespecialiseerd in het Latijn van de Renaissance, is het antwoord op die vraag gemakkelijk: „Tibi poculum caffeae offeram?” Letterlijk: „Aan-jou beker met-koffie ik-zal-aanbieden?”

Natuurlijk hadden de Romeinen geen woord voor ‘koffie’. De eerste koffie werd in Rome rond 1500 gedronken, en pas daarna heeft iemand daar het woord ‘caffea’ voor bedacht. Ook hadden de Romeinen geen kopjes en schoteltjes. Wel hadden zij bokalen en bekers, en het is niet onaannemelijk dat ze voor een ‘kopje’ hetzelfde woord zouden gebruiken als voor ‘beker’: ‘poculum’.

Zo hielden ze in de Renaissance het Latijn levend. Ze verzonnen telkens waar nodig nieuwe woorden en ze breidden de betekenis van bestaande woorden voorzichtig uit. Maar verder bleven ze zo dicht mogelijk in de buurt van de woordenschat en grammatica van rond het jaar nul, toen het klassieke Latijn op zijn hoogtepunt was.

Bloemendal: „Je had in de Renaissance ook een kleine groep van puristen. Die vonden dat je alleen woorden mocht gebruiken die in de tijd van Cicero, de eeuw vóór Christus, ook gebruikt werden. Er waren zelfs mensen die daar nog verder in gingen. Die gebruikten alleen vórmen van woorden die Cicero gebruikt had. Dus als hij een woord in een bepaalde naamval niet in een van zijn teksten gebruikt had, mocht je die vorm niet gebruiken.”

Met alleen woorden uit de tijd van Cicero zou de kop-koffie-vraag een stuk omslachtiger worden: „Wil je een beker met zwarte drank die gemaakt is van bonen?”

Het Latijn had in de periode van 1500 tot 1750 al lang geen moedertaalsprekers meer. Wat dat betreft was het een dode taal. Maar tegelijkertijd was het geschreven Latijn van die tijd, het zogeheten ‘Neolatijn’, een springlevende literaire taal.

De zojuist verschenen Encyclopaedia of the Neo-Latin World (Uitgeverij Brill) brengt die Neolatijnse cultuur, die een paar eeuwen lang in Europa minstens zo belangrijk was als de (hogere) cultuur in de levende talen, nu uitgebreid in kaart. Jan Bloemendal, verbonden aan het Huygens Instituut, was een van de samenstellers: „Het vorige overzichtswerk op dit gebied is in de jaren negentig verschenen. Sindsdien zijn er zóveel nieuwe teksten ontdekt en bestudeerd. Oxford University Press en Cambridge University Press hebben voor 2015 ook overzichtswerken aangekondigd over de Neolatijnse literatuur. Blijkbaar hing het in de lucht.”

De afgelopen tien jaar zijn er veel teksten opnieuw uitgegeven, bij voorkeur tweetalig, met op de linkerpagina het Latijn en op de rechterpagina een vertaling in de internationale taal van nu, het Engels.

Het Neolatijn was een reactie op het Middeleeuwse Latijn. Wat was er verkeerd aan dat Middeleeuwse Latijn?

„In mijn ogen niets. In de Middeleeuwen waren ze vooral praktisch: hoe kunnen wij dat Latijn gebruiken zodat we er wat aan hebben? Ze hebben toen ook heel veel nieuwe woorden gemaakt, maar deden dat op hun eigen manier en niet altijd volgens de woordvormingsregels van het klassieke Latijn. Ze speelden het bijvoorbeeld klaar om van een voornaamwoord een zelfstandig naamwoord te maken. Dan krijg je filosofisch bedoelde termen als haecitas (‘ditheid’), ipseitas (‘zelfheid’) en aliquiditas (‘ietsheid’). In het klassiek Latijn is dat bijna onmogelijk.

„In de Renaissance probeerde men de nieuwe woorden die men nodig had weer helemaal volgens de regels van het klassieke Latijn te maken. Natuurlijk was de minachting die men toen voelde voor het Middeleeuws Latijn ook een manier om zich af te zetten tegen de Middeleeuwen. Erasmus geeft heel erg op af op het Middeleeuws Latijn, maar als je zijn vroege werk leest, zie je dat zijn Latijn weliswaar anders is, maar ook weer niet zo héél veel anders, er zitten aanvankelijk nog steeds wel Middeleeuwse elementen in.”

Wat is er zo aantrekkelijk aan een dode taal?

„Als je uitgaat van het klassieke Latijn, dan liggen de grammaticale normen vast. Daar heb je dan geen discussies meer over. Verder heb je het voordeel dat je dan niet één van de levende talen hoeft te verheffen tot nationale taal of internationale taal. Dat speelde bijvoorbeeld in Hongarije, waar verschillende, met elkaar rivaliserende talen gesproken werden en waar ze in het parlement tot 1848 Latijn spraken.”

Dat het Latijn zo'n grote internationale taal werd en dat ook heel lang bleef, is volgens Bloemendal helemaal niet zo vanzelfsprekend. „De Romeinen waren vrij tolerant ten opzichte van de overwonnen volkeren: die mochten hun eigen goden, cultuur en taal behouden. Maar blijkbaar was het leren van Latijn voor die volkeren toch erg nuttig en aantrekkelijk. Goed, dat verklaart waarom er nu zoveel Romaanse talen zijn. Maar het Latijn zelf? Je zou kunnen denken: dat is de invloed van de kerk geweest. Maar het christendom is in het Grieks begonnen. Ook in Rome was de liturgie aanvankelijk in het Grieks. Dat de kerk uiteindelijk op het Latijn is overgegaan, komt, denk ik, vooral door Augustinus. Die had een hekel aan het Grieks.”

In de Renaissance werd er geschreven over allerlei nieuwe, moderne thema's, maar men deed dat zoveel mogelijk in de taal en stijl van het jaar nul. Is dat niet vreemd?

„Ze waren niet allemaal puristen. Mensen als Erasmus waren veel rekkelijker. Die zeiden: je moet de goede schrijvers navolgen, maar daar mag je je eigen stijl van maken. En dat is ook precies wat de grote Neolatijnse schrijvers van Nederland gedaan hebben.” Janus Secundus schreef in de stijl van Catullus, Georgius Macropedius in de stijl van Plautus en Terentius, en Justus Lipsius had duidelijk wat met de stijl van Tacitus. Maar alle drie gaven ze daar een geheel eigen, zestiende-eeuwse draai aan.

„Er is gelukkig weer wat meer aandacht voor die Neolatijnse literatuur”, zegt Bloemendal. Hij heeft zelf veel Nederlands werk bezorgd en uitgegeven. Onder andere een Nederlandse vertaling van alle toneelstukken van Macropedius, die hij bewondert om „de levendige dialogen en de rake typeringen van personages en situaties”.

Moet de geschiedenis van de Nederlandse literatuur niet herschreven worden? Nou, in ieder geval geretoucheerd, vindt Bloemendal. „Er is zoveel in het Neolatijn geschreven dat je nu ook nog met veel plezier kunt lezen. Daniel Heinsius bijvoorbeeld: die heeft een lang gedicht over de dood geschreven, waarin hij in prachtig Latijn allerlei argumenten aanvoert waarom je niet bang hoeft te zijn voor de dood. De manier waarop hij dat doet maakt dat wel tot grote literatuur. En ik hou ook erg van Jacobus Eyndius. In Hydropyricon liber, ‘Het Boek van Water en Vuur’ gaat Eyndius het thema van de liefde met veel paradoxen te lijf.”

En buiten Nederland is er een werkelijk overweldigende hoeveelheid Neolatijnse literatuur geschreven, in heel Europa. „De Poolse toneelschrijver Simonides is een van mijn favorieten. Zijn Castus Ioseph is het bijbelse verhaal van de verleiding van Jozef door de vrouw van Potifar. Dat zit psychologisch erg goed in elkaar, hij weet dat heel aannemelijk en heel aanschouwelijk te maken. Erg goed, dat zou gewoon op mijn nachtkastje kunnen liggen.”

Hoeveel Nederlanders kunnen dat Latijn nu nog lezen?

„Een paar honderd, denk ik. Nou, misschien meer. Alle mensen die klassieke talen gestudeerd hebben? Die zullen ze zich wel eerst even moeten verdiepen in de eigenaardigheden van het Neolatijn.”