Goede kunst is niet per se duur

Beatrix Ruf is de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. ‘She has the eye.’

Beatrix Ruf werkt nooit. Als haar gevraagd wordt wat ze in haar vrije tijd doet, zegt ze: „I never work.” Om daarna uit te leggen dat het een vrije interpretatie is van de slogan die de Franse kunstenaar Guy Debord in 1963 op een muur in Parijs kalkte: „Ne travaillez jamais.”

De drie medecursisten die eind oktober met haar aan de dinertafel zitten bij ‘de nonnen’ in Vught, het gerenommeerde taalinstituut Regina Coeli waar Ruf een intensieve cursus Nederlands volgt, kijken haar na dit antwoord geïmponeerd aan. Zojuist hebben ze begrepen dat ze met de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam aan tafel zitten. Ze hadden de vrouw met het kortgeknipte, zwarte haar en de hooggesloten zwarte blouse niet herkend. Zo bekend als Ruf in de internationale kunstwereld is, zo onbekend is ze nog in Nederland.

Wie is deze 54-jarige vrouw, die dit jaar van Zürich naar Amsterdam verhuisde om een van de belangrijkste posities in de Nederlandse kunstwereld te bekleden? Haar geboortegrond ligt in het zuiden van Duitsland, waar haar vader burgemeester was van de stad Singen. Maar haar studies deed ze in het buitenland: eerst de dansopleiding aan het conservatorium in Wenen, daarna psychologie, etnologie en kunst- en cultuurwetenschappen in Zürich. Vervolgens werd ze drie keer achter elkaar directeur van een kunstinstelling in Zwitserland: in Warth, Glarus en Zürich. En nu dus in Amsterdam.

Aan haar kaarsrechte houding, de kin iets omhoog, kun je nog zien dat ze een dansopleiding heeft gevolgd. Bij alle gelegenheden draagt ze ongeveer hetzelfde tenue: een hooggesloten zwarte of witte blouse, een wijde zwarte broek en zwarte instapschoenen. „Die blouse heb ik laten ontwerpen, het is een mix van al mijn favoriete blouses”, zegt ze. „Ik draag vaak zwart en wit, maar ik heb ze in alle kleuren.”

De cursisten in Vught informeren naar haar persoonlijk leven. Maar Ruf heeft niet overdreven. Werk en vrije tijd vallen voor haar samen. Ze sport niet, bespeelt geen muziekinstrument, is geen liefhebber van kokkerellen. Als er al eens een gaatje over is in haar agenda, vult ze dat met het lezen van boeken over kunst en het bezoeken van nieuwe tentoonstellingen.

Ze heeft geen partner noch kinderen, maar des te meer vrienden. De meesten zijn kunstenaars, verzamelaars, tentoonstellingsmakers, galeriehouders en museumdirecteuren. Haar huis in Zürich beschikt over een aparte studio waar ze kunstenaars kan laten logeren.

Geen wonder dat ze al jaren hoog in de top-100 van invloedrijkste mensen in de kunstwereld staat, die het Britse tijdschrift ArtReview elk jaar samenstelt. In oktober zakte ze weliswaar tien plaatsen (van nummer 7 naar 17), maar dat is omdat ze zich in Amsterdam opnieuw zal moeten bewijzen. De internationale kunstwereld kijkt over haar schouder mee. Zal Ruf in Amsterdam net zoveel leven in de brouwerij brengen als in Zürich?

„Heeft u al een huis gevonden in Amsterdam?” wil een van de tafelgenoten in Vught weten. Het is een vraag die haar dit jaar vaak wordt gesteld. „,Nog niet”, antwoordt Ruf. „Maar ik ben wel op zoek. Het is niet makkelijk om daar precies het huis te vinden dat ik zoek.” De taalcursisten knikken meelevend.

Ze had tot 1 november in Zürich kunnen blijven, om in alle rust haar vertrek voor te bereiden uit de Kunsthalle die ze dertien jaar heeft geleid. Maar sinds het moment dat haar aanstelling bekend werd gemaakt, pendelt ze heen en weer tussen Zwitserland en Nederland. Ruim een half jaar heeft ze eigenlijk twee banen.

Januari-april

De zoektocht naar een nieuwe directeur heeft, nadat Ann Goldstein in de zomer van 2013 haar vertrek bij het Stedelijk Museum aankondigde, bijna driekwart jaar in beslag genomen. „De gesprekken vonden plaats in het kantoor van Alexander Ribbink, voorzitter van de raad van toezicht”, vertelt Ruf. „Dat ligt schuin tegenover het Stedelijk, maar ik kreeg te horen dat ik me niet in het museum mocht laten zien, om geruchten te voorkomen. Ik kon het niet laten en glipte toch naar binnen, om de Malevich-tentoonstelling nog te zien voor die zou sluiten. Ik moest ook een uitgebreid assessment doen met een consultant in Nederland. De voorbereidende vragenlijst vulde ik thuis achter de computer in Zürich in.”

En ze wordt uitgenodigd voor een etentje met de algemeen directeur, Karin van Gilst. De raad van toezicht vindt een goede chemie tussen de twee belangrijk, want als ze wordt aangenomen, zullen ze nauw samenwerken. „Daar kijk ik naar uit”, zegt Ruf. „In Zürich had ik een team van zes man en moest ik alle managementtaken alleen doen. Nu kan ik die delen.” Het etentje is de laatste test. Ze slaagt. Op 8 april wordt haar benoeming bekendgemaakt.

Mei

Voor ze naar Amsterdam kan gaan, zijn er nog verscheidene tentoonstellingen in Zürich die ze moet afmaken en openen, zoals de tentoonstelling van Haim Steinbach. Steinbach is een Israëlische kunstenaar, woonachtig in New York, die alledaagse, soms banale voorwerpen plaatst in speciaal ervoor gemaakte installaties, zoals een voetstuk of een plank aan de muur. De voorwerpen lijken daardoor een speciale betekenis te krijgen.

Ruf staat er bekend om dat ze een goed oog heeft voor jonge kunstenaars die het gaan maken. Maar ze presenteert ook regelmatig ‘vergeten’ of onderbelicht gebleven kunstenaars, om ze zo alsnog de bekendheid te geven die ze volgens haar verdienen. „She has the eye”, zegt men in Zürich over haar.

Juni

Art Basel is voor Beatrix Ruf een van de belangrijkste gebeurtenissen van het jaar. Daar komen, één keer per jaar, al haar kunstvrienden en zakenrelaties samen, op maar een uur rijden van Zürich. Een van de sociale hoogtepunten is het jaarlijkse diner van ArtForum, op vrijdag. Het kunsttijdschrift heeft een oude boerenschuur aan de rand van Basel uitgekozen als feestlocatie. Als Ruf komt aanlopen, drommen kunstenaars, galeriehouders en journalisten om haar heen. Gefeliciteerd met je nieuwe baan, klinkt het van alle kanten. Heeft ze al een huis in Amsterdam? „Nee”, zegt Ruf, terwijl ze een sigaret opsteekt en nipt aan een glas rode wijn. „Ik heb wel rondgefietst door de stad, maar durfde niet goed om me heen te kijken. Ik was bang om in de tramrails terecht te komen.”

Daniël Baumann, een Zwitserse freelance curator, vraagt of ze al bij 14 Rooms is geweest, een tentoonstelling van performance kunst die speciaal is gemaakt voor Art Basel. Er worden werken opgevoerd van onder anderen Marina Abramovic, Bruce Nauman, Damien Hirst en Yoko Ono. „Je moet beslist gaan kijken in de kamer van Jordan Wolfson”, zegt Baumann. „Daar is een heel griezelige robotvrouw, die sexy danst voor een spiegelwand terwijl ze macabere teksten uitspreekt. Ze heeft een afschuwelijk masker op en volgt je de hele tijd met haar ogen. Ik was als de dood. Je moet een timeslot zien te regelen, want er mogen hooguit twee mensen tegelijk naar binnen. Het is heel moeilijk om binnen te komen.”

Maar niet voor Ruf. De volgende ochtend al heeft ze het geregeld. En bang is ze niet, voor de robot. Terwijl de ogen van het ding zich op haar richten, stapt ze naderbij en maakt een foto met haar mobiele telefoon.

Interessanter vindt ze eigenlijk het werk van de Britse kunstenaar Ed Atkins, een deur verder. No one is more ‘work’ than me bestaat uit een video, waarop een avatar van een kale, getatoeëerde hooligan acht uur lang praat, zingt, vloekt en dreigt. Naast het scherm zit een gedaante met een zak over zijn hoofd, die af en toe beweegt, maar geen woord uitbrengt. „Atkins stelt, net als Jordan Wolfson, existentiële vragen over zaken als identiteit en realiteit”, zegt Ruf. „Begin dit jaar hadden we een tentoonstelling van Atkins in de Kunsthalle. Hij behoort tot de generatie kunstenaars die is opgegroeid met computertechnologie en daar volop gebruik van maken. Zij zijn digital natives. Ik heb grote bewondering voor die generatie.”

Veel van de performances in 14 Rooms heeft ze al eerder gezien. Maar niet This is competition, een werk uit 2004 van Tino Sehgal. Twee medewerkers van de Marian Goodman Gallery die zijn werk verkoopt, voeren het uit. Ze beschrijven oude werken van Sehgal, maar mogen om beurten maar één woord zeggen. Dat leidt tot een competitie om niet als eerste stil te vallen.

Naast de hoofdbeurs zijn er in Basel talloze andere kunstevenementen: nevenbeurzen, tentoonstellingen, performances, debatten en feestjes. Ruf, goedlachs en aimabel, wordt overal gevraagd. Elke avond wordt het laat. Ze heeft aan het eind van de week een flinke verkoudheid te pakken. „Ik zit sinds mijn benoeming in een achtbaan”, zegt ze hoestend achter het stuur van haar grijze Hyundai. Ze bekijkt in één dag alle grote tentoonstellingen in en om Basel, zoals het retrospectief van Gerhard Richter in Fondation Bayeler, de beelden van Charles Ray in Kunstmuseum Basel en het overzicht van het werk van Paul Chan in kunsthal Schaulager. ’s Avonds slaat de vermoeidheid toe. Tijdens een etentje met een bevriende galeriehouder moet ze lang op haar eten wachten. Als het eten ten slotte arriveert, stuurt ze het terug naar de keuken. „Ik heb nu geen honger meer.”

Juli

Na Art Basel brengt Ruf steeds meer tijd door in Nederland. Er zijn heisessies met het stafpersoneel van het Stedelijk, dat vertelt welke taken de verschillende afdelingen uitvoeren. En ze bezoekt het depot van het museum, in het Westelijk Havengebied, om de vaste collectie beter te leren kennen. De coördinator van het depot vraagt haar aandacht voor een probleem. Er is eigenlijk te weinig geklimatiseerde opslagruimte voor kleurenfotografie. Die collectie groeit momenteel het hardst. Ruf kijkt bezorgd, ze zal het probleem intern bespreken.

Op 19 juli opent ze voor het eerst een tentoonstelling in het museum: de collectie van het verzamelaarsechtpaar Martijn en Jeannette Sanders. Het is een zwoele avond, het museum stroomt vol met genodigden in feestkledij. Door het rumoer is haar toespraak moeilijk te verstaan. Als ze na afloop buiten een sigaret staat te roken, drommen de genodigden om haar heen. Het Amsterdamse kunstpubliek wil met haar kennismaken.

September

De Kunsthalle Zürich maakt bekend dat freelance curator Daniël Baumann de opvolger van Ruf is. Hij is de man die haar in Basel aanraadde naar 14 Rooms te gaan. Nu heeft Ruf meer tijd om in Amsterdam door te brengen. Ze logeert in het Hilton Hotel, op vijf minuten fietsen van het museum. Met een fiets die ze van het hotel leent, gaat ze in de weekeinden op huizenjacht. In Zürich droomde ze er nog van om zelf een huis te laten bouwen door jonge kunstenaars. Maar in Amsterdam ziet ze de realiteit al snel onder ogen. „Er valt hier geen stukje grond te krijgen. Of het is onbetaalbaar”, zegt ze. Samen met een makelaar fietst ze door Amsterdam Zuid. Een huis in Berlage-stijl, met een tuin die is aangelegd door de tuinarchitect van Paleis Het Loo, bevalt haar wel. „Maar het is te klein voor mijn boekenverzameling.” De makelaar laat zien tot hoever ze mag uitbouwen in de tuin. „Jammer, maar dat is te weinig”, zegt ze.

Haar voorganger Ann Goldstein lag in de clinch met een verzamelaar, Christiaan Braun. Nu krijgt ook Ruf met hem te maken. Hij plaatst op september, daags voor zij de grote tentoonstelling van Marlene Dumas zal openen, een paginagrote advertentie in drie dagbladen. Hij verwijt Ruf belangenverstrengeling. Zij geeft in Zwitserland advies aan verschillende private partijen, zoals uitgever Michael Ringier, die ze al twintig jaar helpt bij het opbouwen van zijn kunstcollectie. Hoe kan zij kunst kopen voor het Stedelijk als zij dat tegelijk ook doet voor haar Zwitserse baas, is de vraag die Braun opwerpt. Het Stedelijk reageert met een korte mededeling: „Het betreft oude persoonlijke relaties waar nooit belangenverstrengeling is geweest – in vorige werkkringen heeft dit nooit tot enige verstrengeling geleid. Bij de geringste twijfel is er een procedure die voorziet in een oplossing.”

Oktober

Haar voorganger Ann Goldstein kreeg nogal eens het verwijt dat zij geen Nederlands sprak. Van de nieuwe directeur wordt verwacht dat zij de taal leert. Al zijn er geen nonnen meer te bekennen in Vught, het regime is spartaans: om half acht ’s ochtends worden de cursisten met een busje opgehaald bij het hotel, om negen uur, na het diner, weer teruggebracht. Dertien uur per dag hoort, leest, schrijft en spreekt ze alleen Nederlands. Haar telefoon moet uit. Maar tussen de lessen door checkt ze stiekem haar berichten. „Ik kan het Nederlands al goed lezen en ook redelijk verstaan”, zegt ze. „Spreken gaat moeilijker.” De meeste mensen beginnen in het Engels tegen haar. Ze heeft haar staf gevraagd Nederlands met haar te spreken.

In de gemeenteraad van Amsterdam zijn inmiddels vragen gesteld door D66, naar aanleiding van de advertentie van Braun. Hij heeft nog een tweede advertentie gezet, waarin hij het Stedelijk en andere musea oproept zich aan de internationale gedragscode van musea te houden inzake belangenverstrengeling.

„Veel mensen voelen zich nauw betrokken bij het Stedelijk”, zegt Ruf, tijdens een rookpauze in Vught. „Die betrokkenheid van de burgers van Amsterdam is heel mooi. Maar het museum is niet meer alleen van de gemeente. Het is een geprivatiseerde instelling die steeds minder subsidie krijgt. Om te overleven moeten we nieuwe relaties aanknopen met particuliere geldschieters. Mijn ervaringen daarmee in Zwitserland kunnen juist goed van pas komen.”

November

Vanaf 1 november is ze officieel, fulltime, in dienst van het Stedelijk. Op de eerste dag maakt ze haar eerste aankoop bekend: een schilderij van de Duitse kunstenaar Isa Genzken, met wie ze in 2003 een tentoonstelling maakte in Zürich. Twee weken later maakt ze ook haar eerste tentoonstelling bekend: het Stedelijk zal in 2015 iedere maand, steeds in een andere zaal, verschillende performances laten zien van Tino Sehgal. Een meesterzet, schrijft recensent Sandra Smallenburg in NRC Handelsblad.

Een huis heeft ze nog niet gevonden. „Ik heb gewoon geen tijd om te zoeken”, zegt ze. Voorlopig logeert ze nog in het Hilton Hotel.

Ruf heeft bij haar sollicatie beloofd om zichtbaar te zijn in het culturele leven van Amsterdam en een rol te spelen in het publieke debat. Op 27 november opent ze de jaarlijkse tentoonstelling van de Rijksakademie, waarbij de jonge kunstenaars hun ateliers openstellen voor het publiek. „Fouten mogen maken is cruciaal in de ontwikkeling van een kunstenaar”, zegt Ruf in haar toespraak. „Plekken als deze, die ruimte en tijd geven aan jonge kunstenaars om hun ideeën te ontwikkelen en te onderzoeken zijn erg belangrijk. Ze worden alleen steeds zeldzamer. We moeten ze koesteren.”

Twee dagen later neemt ze deel aan een debat in De Balie. De discussie gaat over de vraag wat de echte waarde is van kunst, nu op veilingen recordprijzen worden betaald voor kunstwerken. „Kun je als museum nog wel kunst verzamelen, als de prijzen zo zijn gestegen?” vraagt Defne Ayas, de directeur van het kunstcentrum Witte de With die het debat leidt.

„De interessantste kunst is niet altijd de duurste kunst”, zegt Ruf. „Die recordprijzen worden alleen betaald voor schilderijen, en bijvoorbeeld nooit voor videokunst, wat toch ook heel goede kunst kan zijn.” Ze maakt zich geen zorgen dat het Stedelijk te weinig geld heeft om nieuwe aankopen te kunnen doen. „Jonge kunstenaars zijn vaak genereus, ze willen hun werk graag de dialoog laten aangaan met een bestaande collectie.”

Ed Atkins, de kunstenaar van de hooligan-avatar, komt op bezoek. Eind februari krijgt hij een solotentoonstelling in het Stedelijk. Ruf en hij buigen zich over een maquette van de onderste verdieping van het museum. Ze schuiven met minuscule videoschermen door de zalen, om zo de beste opstelling te bepalen. „We lijken wel kinderen met een poppenhuis”, lacht Ruf. „Dit is meer spelen dan werken.”