Een heilstaat met sigaren

In romans was Cuba zowel voor als na de revolutie het land waar geleefd kon worden. ‘Bienvenidos, as we say in our romantic language.’

Souvenirs die verkocht worden bij het Ernest Hemingway Museum op Cuba. Foto Peter Zimmermann/dpa/Corbis

Twaalf jaar oud was de latere romanschrijver Guillermo Cabrera Infante toen hij met zijn ouders van het Cubaanse platteland naar Havana trok. Hij wist niet wat hij zag. De zon ging er weliswaar onder, maar donker werd het niet – en stil nog minder. De stad bruiste: „Het was ongelofelijk, het feit dat de nacht er niet bestond omdat overal de lichten brandden.” Het was 1941: Fulgencio Batista was sinds tien jaar de machtigste man van het land en zou dat nog een decennium blijven, afwisselend via verkiezingen en staatsgrepen.

Het verleidelijkste eiland van de Caraïben, zo wilde Batista Cuba verkopen: een lustoord vol rum, sigaren en danseressen. Het land beloofde vertier met een rafelrandje, juist binnen het bereik van de net wat avontuurlijker Amerikaan: „I know that you are here to sunbathe and seabathe and sweatbathe”, zegt de uitbater van een cabarettheater aan het begin van Cabrera Infantes grote roman Tres tristes tigres. „For your exclusive pleasure, ladies and gentlemen our Good Neighbours, you that are now in Cuba, the most beautiful land human eyes have ever seen, as Christofry Columbus, The Discoverer, said […] Bienvenidos, as we say in our romantic language, the language of colonizadors and toreros (bullfighters) and very, very, but very (I know what I say) beautiful duennas.

In Cuba kon het ware leven op afroep worden geleefd: avontuurlijk en romantisch – met vrouwen en vuurwapens onder handbereik. En het gevoel dat Cuba écht is, zou de bezoekers nooit meer verlaten: of ze het eiland nu bezochten toen Batista’s harde hand er regeerde, in de revolutionaire roes van Fidel Castro of later, toen diens socialistische experiment allang weer was afgebladderd. Waarbij in alle tijdperken het vrijheidsgevoel van de bezoekers contrasteerde met de beperkingen die de Cubanen door hun bestuurders kregen opgelegd.

Ernest Hemingway

Er was nog maar één plaats ter wereld waar echte vrijheid heerste, vond Ernest Hemingway: op de Golfstroom, ‘the last wild country there is left’. Dáár kon een man epische gevechten leveren met reuzenvissen en haaien – het leverde Hemingway zijn novelle The Old Man and the Sea (1952) op, ongetwijfeld het beroemdste ‘Cubaanse’ boek aller tijden – al was het dan geschreven door een ‘Good Neighbour’.

Hemingway woonde bij het schrijven van het boek al tien jaar op het eiland: ‘Ik woon in Cuba omdat ik van Cuba houd, en omdat ik hier privacy heb als ik schrijf.’ Jarenlang had hij het er heerlijk gevonden. Om de zee, de eenvoud en de rust. Als Hemingway vertier wilde of Amerikanen wilde spreken, ging hij naar de smoezelige Bar Floridita, waar ‘Papa Hemingway’ een eigen hoekje had en waar hij zelf een van de attracties was – nóg een stukje van het authentieke Cubaanse leven. Toeristen trokken naar het café om een glimp van de grote schrijver op te vangen. Hoe meer Bar Floridita werd meegevoerd in de vaart der volkeren, hoe minder het Hemingway beviel. Toen de eigenaar hem vertelde dat hij een modern herentoilet aan zou laten leggen, overlaadde hij hem met hoon – voor een aangeharkt Cuba had hij geen belangstelling.

In 1960, na de machtsovername van Fidel Castro, verliet Ernest Hemingway Cuba. En Harry Mulisch kwam. De Nederlandse schrijver was een van de vele Europese intellectuelen die in de jaren zestig in de Caraïben kwamen bewonderen wat zij dichter bij huis, in Midden-Europa, zo faliekant hadden zien mislukken: een heilstaat. Een heilstaat met sigaren en mooi weer. Mulisch vierde zijn veertigste verjaardag op 29 juli 1967 ‘onder de palmen van Havana’, schreef hij in Het woord bij de daad, zijn ‘Getuigenis van de revolutie op Cuba’. Geen boek over sunbathing, seabathing en sweatbathing, maar wel een waarin de puurheid van de Cubaan de boventoon voert: of het nu is bij een mystieke dienst waar de grote blanke man spontaan naar binnen wordt getrokken of bij het door de auteur enthousiast beschreven proces van een lokale volksrechtbank tegen een potloodventer.

Zijn revolutionair enthousiasme zou Mulisch zijn leven lang nagedragen worden, zoals dat ook gebeurde met zijn generatiegenoten Gabriel García Márquez en Jorge Semprun. Wat er aan onvrijheid was, werd door Mulisch in een duidelijke context geplaatst: „Men mag overal heen, zonder dat men op de een of andere manier in de gaten wordt gehouden. Maar het blijft een revolutionair land: kontrarevolutionaire agitatie is verboden, evenals uitbuiting, analfabetisme en sterven van de honger.” (Wat óók verboden was: Tres tristes tigres van Cabrera Infante).

De ontdekking van de hemel

Geloofwaardiger was Mulisch over Cuba in De ontdekking van de hemel, waarin de hoofdpersonen Onno en Max, voor een congres in Havana, onophoudelijk het gevoel hebben in de gaten gehouden te worden. En waarin alle prerevolutionaire couleur locale terugkeert: van het verblindende kunstlicht op de boulevard in Havana tot de muziek die je overal hoort, de armoedige huizen en de verleidelijke vrouwen – de puurheid van de revolutionaire mens moet alweer plaatsmaken voor de ruwe romantiek van de zwierende zeelui.

Intussen zou Mulisch Mulisch niet zijn als hij niet toch zijn gelijk zou halen. De ontdekking van de hemel is van 1992. Drie jaar na de val van de muur viel er politiek-ideologisch weinig meer van de nieuwe mens te verwachten – maar gelukkig had hij de metafysica nog. Aan het eind van het congres op Cuba stuurt hij Ada en Max de zee in. De boulevard baadt in het licht, boven het water staat de maan. Opgehitst door de tropische warmte en de zinnelijkheid van de Cubanen, verwekken Ada en Max in zee, op de deining van de door Hemingway zo geliefde Golfstroom, een zoon.

Deze Quinten Quist zal de wereld redden – waarmee Mulisch de nieuwe mens toch nog in Cuba laat ontstaan. Al is het er dan maar eentje.