De dood van je kind kun je niet verwerken

Paula Sutherland en Robert Crolla verloren bij de ramp met de MH17 hun zoon Régis (19). Hoeveel vrienden hij had, hoe hij écht was, hebben ze de laatste maanden pas goed gezien. ‘Ik ben hem nu aan het leren kennen.’

Robert Crolla en Paula Sutherland bij een foto van hun zoon Régis. Op de foto was hij achttien, hij was negentien toen hij met vlucht MH17 van Malaysia Airlines verongelukte.

1 Hoe het nu gaat, en de moeilijke momenten

Het is eind november en er zijn ruim achttien weken verstreken sinds Régis Crolla omkwam bij de vliegramp boven Oekraïne. Bijna 127 dagen zijn voorbijgegaan en de vraag is hoe Robert Crolla en Paula Sutherland eraan toe zijn. Ze zitten op een sofa in de huiskamer van hun woning in Amsterdam en ze vertellen dat ze onlangs naar de nationale herdenking zijn geweest. „Heel mooi.” Dat Robert de afgelopen week de as van hun zoon heeft opgehaald. „Emotioneel.” En dat ze weer langzamerhand aan het werk zijn gegaan. Robert is historicus en servicemedewerker bij NS. Hij werkt inmiddels weer drie halve dagen per week. Paula is docent Frans en Engels aan het Berlage Lyceum in Amsterdam. Zij heeft dit schooljaar geen eigen klas, ze assisteert anderen, de school houdt haar in de luwte.

Paula: „Het gaat wel. Werk is afleiding. Een ander stipje aan de horizon. Ik kan niet alleen op de bank gaan zitten met een deken over me heen. Ik ga gesprekken uit de weg want ik ben bang dat ik anders ga huilen en ik wil de regie houden. Soms komt het naar buiten en dan valt het niet te controleren. Afgelopen week heb ik een heel erge huilbui gehad. Iemand begon over Régis te praten. Ik was moe. Ze bleef maar prikken. Ik kreeg een huilbui en ik kon niet stoppen. Ik moest me afmelden voor een vergadering. Toen ben ik naar huis gegaan.” Ze knikt naar haar man. „Hij was de dag ervoor met de as thuisgekomen.”

Robert: „Het is heftig. Ik heb met dat kleine beetje as in mijn handen door alle kamers van het huis gelopen en ik heb gehuild.” Ook Robert heeft lastige momenten. „In mijn familie zijn vlak na de ramp twee kinderen geboren. Kleinkinderen van mijn broer en een zus. Ik was onlangs op kraamvisite. Ze vroegen of ik het kindje wilde vasthouden. Dat kon ik niet. Ik kon het niet opbrengen. Ik vond het heel moeilijk. Je denkt aan je eigen kind. Hoe je dat verzorgd hebt. Wat dat met je gedaan heeft, vader worden van een zoon.”

2 Hij kon nog net een ticket krijgen

Op donderdagmiddag 17 juli stapte de negentienjarige Régis Robert Crolla in het vliegtuig voor een reis naar Indonesië, naar Bali. Een jaar eerder had hij zijn havo-diploma gehaald en daarna een tussenjaar gehad. Hij had veel gewerkt, in een nachtclub en in een restaurant. Drie weken was hij in zijn eentje naar Thailand geweest. „Hij zei dat hij daar in een gezelschap van bejaarden van veertig zat. Dat vond hij wel leuk”, vertelt Paula. Daarna had hij begin dit jaar met zijn vriend Sam een paar maanden rondgereisd in Azië, en vrijwilligerswerk gedaan in een weeshuis in Cambodja. En nu wilde hij, voordat hij een studie zou beginnen aan de Hogeschool van Amsterdam, zijn moeder bezoeken die een dag eerder met een vriendin was vertrokken naar Bali. Paula: „Vlak daarvoor zei hij: ‘Mama kom even, ik ga je nog een hug geven, ik ga je even knuffelen want je weet het niet hè, het is Malaysia Airlines’. Ik zeg: ‘Kind dat is één keer gebeurd, dat gebeurt echt geen tweede keer’.”

Paula vertelt dat hij reiskoorts had. Dat hij al eens eerder met haar op Bali was geweest voor een relax holiday en dat hij de smaak te pakken had. Robert: „Jij bent de zestiende vertrokken.” Paula: „En hij een dag later.” Robert: „Hij had eerder de centen niet om te boeken. Hij heeft vrij laat geboekt en kreeg ternauwernood toevallig voor de zeventiende een plek.” Paula: „Mijn vriendin en ik lagen op bed in ons hotel op Bali. We waren moe want we waren twintig uur in touw geweest. Ik bekeek nog even mijn mail en mijn appjes. Vlak voordat hij vertrok, had hij me nog appjes gestuurd. Ik had hem gevraagd welke calculator ik moest downloaden voor het omrekenen van de munteenheid. ‘Any app will do’, antwoordde hij. Daarna zei hij: ‘Ik stap nu het vliegtuig in, stap over in Kuala Lumpur’. Ik vroeg hoe laat hij zou aankomen. Hij antwoordde: ‘Eind van de ochtend, I see you at the beach’. Dat was het laatste. Ik heb nog gezegd dat ik in het hotel was aangekomen. Daar kwam geen antwoord meer op.”

Robert: „Hij heeft nog foto’s in het gangpad van het vliegtuig genomen en gepost.” Paula: „Je ziet mensen een koffer opbergen. Vlak voordat ze vertrekken. Dat zullen de laatste foto’s van die mensen zijn.”

3 ‘Weet je het al, Régis zit in dat vliegtuig’

In verschillende lange gesprekken, de afgelopen maanden in hun Amsterdamse huiskamer, doen Robert en Paula hun relaas. Vader praat veel, moeder veel minder. Tijdens het eerste gesprek wordt er veel gehuild, vooral door Robert. Later kunnen ze wat afstandelijker praten. Over wat hun is overkomen, op die namiddag in juli. Toen Paula was vertrokken naar Bali en dochter Fleur, de oudere zus van Régis, met een vriendin op vakantie in Zuid-Frankrijk was en vader Robert alleen thuis zat. Robert: „Ik zat hier op die stoel aan dat bureautje te bellen. Komt er opeens een telefoontje binnen van een schoonzus van Paula. Die zegt: ‘Robert, weet je het al, Régis zit in dat vliegtuig’. Het was vijf uur nadat zijn vliegtuig was vertrokken en ik dacht: hij is allang geland. Dus ik zeg: ‘Over welk vliegtuig heb jij het.’ Zij zegt: ‘Er is een vliegtuig neergestort en Régis zit in dat vliegtuig’. Ik zeg: ‘Vliegtuig neergestort? Ik weet niet waar je het over hebt, ik ga de tv aanzetten.’ Ik hang op. Zet de tv aan. Zie de beelden binnenkomen. Vluchtnummers zeiden me niks. Ik had geen gegevens.” Paula: „Ik had ook geen vluchtnummers. Ik zat sinds twee uurtjes op Bali.”

Robert: „Haar schoonzus heeft een dochter.” Paula: „En die zit op Instagram. En daarop had hij een foto van zijn paspoort en zijn ticket gepost.” Robert: „Ik heb die tv aan staan. Ik zit in paniek te zoeken in mijn agenda en in mijn e-mail. Na drie minuten gaat de voordeurbel. Ik doe de deur open en daar staan vrienden van Régis voor de deur. Vincent en Louise. Toen ik de deur opendeed, wist ik het. Ik zag hun gezichten. Ik wist: mijn god, het is dus waar. Op mijn eigen computer lieten ze me de foto zien met zijn vluchtnummer MH17. Ik ging door de grond. Huilen. En meteen bellen. Ik ben mijn dochter en Paula gaan bellen. Kreeg hen niet aan de lijn. Alle twee in gesprek waarschijnlijk omdat anderen hen aan het bellen waren. Intussen was het hier een komen en gaan van veel jeugd rondom Régis en Fleur, veel ouders ook.”

Paula: „Ik kreeg een appje van mijn dochter uit Zuid-Frankrijk. En toen belde Robert.” Robert: „Ik herinner me van dat telefoongesprek dat ze eerst heel rustig bleef. Ik dacht: wat blijft ze rustig. Pas toen ik een einde aan het gesprek ging maken, merkte ik haar paniek. Toen zei ze: ‘Zeg dat het niet waar is’.” Hij huilt. „Toen merkte ik: nu gaat ze het pas snappen. En ik zei: ‘Ik kan de mededeling niet veranderen’.” Paula: „Ik geloofde het gewoon niet. Tegen beter weten in misschien.”

2012spkaars.jpg

Robert: „Ik had mijn zus en mijn zwager gevraagd me te komen ophalen om naar Schiphol te gaan. Vlak voor vertrek heb ik hier nog tegen de deur gehangen en naar de beelden op tv gekeken. Ik heb nog wat vreselijke beelden gezien, shots van die weilanden. Vervolgens heb ik ’m uitgezet en besloot vier weken lang niet meer te kijken. Ik was een van de eersten op Schiphol. Daar was code huppeldepup afgegeven. We werden naar een café geleid. Daarna met een bus naar een groot hotel in Schiphol-Oost. Daar kwam een pastoraal medewerker van de luchthaven naast me zitten.” Paula: „Hoe veel mensen waren er in die zaal?” Robert: „We hebben daar uren zitten wachten en de zaal werd steeds voller, en groter gemaakt. Er zaten pastoraal werkers. Psychologen. Slachtofferhulp. Alles was opgetrommeld. Maar de hulpverlening in de dagen na die bijeenkomst was verschrikkelijk. Het is een week lang puinhoop geweest. Een buurvrouw heeft mij in de gaten gehouden. Ze zei later: ‘Wat als jij die eerste avond een paniekaanval gehad zou hebben, wat had jij gedaan?’ Ik werd niet gebeld. Op Schiphol moest ik een questionnaire over Régis en over mij invullen. Of ze met die vragenlijst de kachel hebben aangestoken, weet ik niet. Maar ik ben door mijn zus en zwager naar huis gebracht en pas de volgende ochtend om kwart over zes gebeld met niets anders dan de mededeling: ‘Ja meneer, uw zoon staat op de passagierslijst’. Daarna werd ik niet meer gebeld. Ik werd niet opgevangen. Toen ik die nacht terugkwam van Schiphol, was ik alleen. Ik heb overal licht gemaakt. Ik heb alle ramen open gedaan. Ik heb uit alle ramen staan janken. Pas op zondagochtend werd ik gebeld. Door de stad Amsterdam. Om één uur zat hier de burgemeester.” Hij snikt. „Dat was géén beleefdheidsbezoek! Complimenten!”

Hij vermant zich. „Op de eerste bijeenkomst voor nabestaanden, vier dagen na de ramp, waren de koning en de ministers er. Ik wist wie ik wilde hebben. Ik heb tegen de koning gezegd: ‘Zou u er als voorzitter van de Raad van State op willen letten dat er in Nederland een fatsoenlijk rampenplan komt, want mensen willen toekomen aan rouwen en rusten’. Toen heb ik zelf vlot en netjes het gesprek beëindigd, zijn hand geschud en ben weggelopen. Eigenlijk heeft de jeugd van Amsterdam, de toekomst van de stad, mij opgevangen. Ik heb het over dat allereerste uur, als je helemaal door dat gat getrokken wordt, het zwaarste uur uit mijn leven.”

Paula: „Ik heb in dat hotel op Bali zitten janken. Woedend was ik. Huilen huilen huilen. Ik ben naar de receptie van het hotel geweest. Het was al één uur ’s nachts of zo. Ik wilde televisie zien. Na veel gezoek kwam de Amerikaanse zender CNN. Er was een jong echtpaar met een baby. Die hebben water gehaald. Me getroost. Die vader hield me vast. Daarna ben ik snikkend de nacht doorgekomen en de volgende ochtend zijn we meteen teruggevlogen. Mijn vriendin heeft alles geregeld. Daar had ik een goeie aan. Ze kon me heel goed troosten. Ze is een hartsvriendin.” Robert: „Als jij alleen was geweest…” Paula: „Dan had ik het niet gered.” Robert: „Mijn god, mijn god.”

Later vertelt hij dat hij gewend is het nieuws te volgen, en vanzelfsprekend ook al een jaar het nieuws over het gerommel in Oekraïne had gevolgd. Hij ziet het neerhalen, hoe onbedoeld de actie van „een paar gekken” ook geweest mag zijn, als een oorlogshandeling. „Dus toen ik die donderdagmiddag dat telefoontje kreeg en de televisie aanzette en de beelden zag binnenkomen was mijn eerste gedachte: wat? Mijn zoon? Honderd jaar na het begin van de Eerste Wereldoorlog een voetnoot bij dit geopolitiek probleem waar ik al zo lang naar zit te kijken? Dat zal toch niet waar zijn? Ik ben vader. En ik ben historicus. Dan voel je het ineens zo hard bij elkaar komen! Ik heb dat ook op mijn werk gevoeld. Onze Régis zei vaak, om mij te plagen: ‘Bij de NS rij ik zwart’. Nu kocht hij een kaartje. Hij heeft zijn ticket naar Schiphol, zijn ticket naar de dood, gekocht op Amsterdam Centraal in automaat 226. Bij een van de twee automaten die ik anderhalf jaar lang aan het melden was bij een storingsorganisatie omdat ze het niet goed deden. Dan komt werk en privé zo hard samen!” Hij snikt. „Het is bijna niet uit te leggen dat op zo’n klein detail dingen samen komen. Ik heb op zijn bankafschrift gezien dat hij het kaartje in die automaat heeft gekocht drie minuten nadat hij mij voor het laatst een sms had gestuurd. Ik had hem via de sms gevraagd waakzaam te zijn en te blijven, en wel tot en met de terugkomst met bus 22 op 1 augustus. ‘Ja dat zal ik doen’, antwoordde hij, ‘en jij: geniet van je rust’. Want hij wist wel dat ik mijn rust wilde, daarom was ik hier alleen.”

4 Mensen wilden meer weten over Régis na de ramp

De ouders van Régis Crolla willen de wereld laten weten dat ze een bijzondere zoon hebben gehad. Vrij kort na de ramp gaven ze al een interview aan Het Parool. Robert: „Dat hebben we heel bewust gedaan. Omdat het een Amsterdamse krant is. En omdat er zo veel reacties binnenkwamen bij die krant met de vraag om meer informatie over Régis.”

Hij was, vertellen ze, een ondernemend type. Paula: „Hij was op heel jonge leeftijd al creatief ondernemend. Toen hij zeven was, wilde hij hondjes hebben. Dat mocht niet. Toen liet hij honden van anderen uit. Op zijn zestiende kocht hij een scooter. Het mooiste van het mooiste. Hij maakte vervolgens een ontwerp voor een zadel en maakte een dealtje met de Turkse kleermaker. Die wilde dat wel voor hem maken. Hij was altijd met dat soort dingen bezig. Hij heeft heel veel bootjes gehad. Bekostigde hij allemaal zelf. Schreef een businessplan om toeristen te vervoeren. Wilde mama of zuslief inhuren voor de buitenlandse talen in folders. Hij wilde paardrijles aanbieden voor jonge kinderen. Hij vroeg zich af wat hij daarvoor kon vragen. Keek wat Anky van Grunsven vroeg per les op internet. Zo was hij altijd in z’n kop bezig.”

Dieren waren zijn grote liefde. Paula: „Hij had een konijntje. Hij had ratten. Hij hield van paarden. Hij reed goed paard. Hij heeft ook veel prijzen gewonnen.” Robert: „Hij wilde niet alleen geld verdienen.” Paula: „Nee, hij had er een grote liefde voor.” Robert: „Precies. Dat wil ik gaan vertellen. Ik keek vroeger graag naar springwedstrijden op de Duitse televisie. Maar ik heb er totaal geen verstand van. Hij was een jaar of elf en had dat door. Hij zei: jij kijkt alleen maar of die balk valt en hoe veel strafpunten hij dan krijgt. Vervolgens ging hij commentaar geven bij wat ruiter en paard deden. Met het ene oor luisterde ik naar hem en met het andere naar het Duitse commentaar op televisie. Het klopte helemaal.” Paula: „Op de middelbare school heeft hij nooit met een woord gerept over paarden.” Robert: „Bijna niemand op school wist daarvan.” Paula: „Paardenliefde is voor pussies.” Robert: „Heeft hij verzwegen.” Paula: „Compleet verzwegen.” Robert: „Hij ging drie keer in de week naar maneges. Had hij les in Zaandam en op de Overtoom. Of vrij rijden. In Schagen en Noordwijk ging hij op het strand rijden. Ik moest twee uur wachten. Daar is hij toen van de ene op de andere dag, ffffffiet, mee opgehouden.” Paula: „Op zijn zestiende. Toen kwamen de meisjes. Toen ging hij een beetje roken. Stoer doen.”

5 Ineens zag je hoe populair hij was, hoeveel vrienden hij had

Régis had veel vrienden. Op Facebook en Instagram zijn de sporen daarvan te zien. Op het strand. In het café. Feestend. Lachend. Proostend. Paula: „Hij was heel populair. Heel geliefd. Dat wisten we niet.” Robert: „We hadden er een vermoeden van.” Paula: „Als een kind zeventien is, weet je niet wat er achter die schermen gebeurt, op die social media.” Robert: „Helemaal niet.” Paula: „Ik kan hem niet gaan stalken.” Robert: „Op social media had hij veel vrienden. Dat lukte hem goed. Na zijn dood heb ik wel begrepen dat hij goed het verschil kon maken tussen vrienden en vrienden.” Paula: „Hij had er duizend, geloof ik.” Robert: „Ik kon hem niet volgen. Ik zei altijd: wat ben je allemaal aan het doen, hou toch eens op met dat internet. Het conflict tussen vader en zoon. Inmiddels heb ik daar respect voor. Ik ben hem nu aan het leren kennen.”

Paula: „Facebook hoort bij het wereldje. Het is de tijdgeest. Hij had FOMO, Fear Of Missing Out. Moest voortdurend weten wie wat precies deed. Vreselijk.” Robert: „Hij zat of lag altijd op z’n bed met die iPhone. Je hoorde zijn mobieltje gaan of je zag het licht opflikkeren.” Paula: „Hij zat heel vaak op z’n mobiel. Alles wat hij deed, is per uur gedocumenteerd. Als hij aan tafel ging, moest alles mooi zijn en dan werd er een fotootje van gemaakt. Je zou bij wijze van spreken een hele mooie film van hem kunnen maken.”

Op woensdag 23 juli, toevallig de dag van nationale rouw voor alle slachtoffers van de MH17-ramp, organiseerden vrienden een herdenking voor Régis in nachtclub Club Air, waar hij werkte, en aansluitend een stille tocht naar een restaurant waar hij ook af en toe werkte. Daar merkten Paula en Robert hoe populair hij eigenlijk was geweest. Paula: „Bij die herdenking waren driehonderd man, en buiten stonden wel vierhonderd mensen. Ik kende ze niet.” Tijdens de herdenking werden foto’s en filmpjes vertoond die de ouders nooit hadden gezien. Paula: „Geweldig. Je wilt steeds dichter bij zijn vrienden staan want zij weten wat hem bewoog. Wat hij dacht. Welke muziek hij leuk vond.” Robert: „Je voelt de kracht van de jeugd.” Paula: „Hij was een verbinder. Een socializer. Daarom kende hij zo veel mensen.” Robert: „Sommige vrienden zag ik hier wel eens, als ze gingen indrinken. Ze gingen hier wel eens tot één uur door. Ik lag dan hiernaast te slapen want soms moest ik om vijf uur opstaan. Dat botste wel eens. Na zijn dood heb ik hen beter leren kennen. Je kon hun verdriet voelen. Dat deed heel goed.”

6 Zij wilde hem aankleden, maar dat ging niet meer

De identificatie heeft lang op zich laten wachten. Ruim een maand na de ramp, op maandag 18 augustus, belden familierechercheurs met de vraag of ze over een kwartiertje langs konden komen. Er waren weken van rouw om een afwezig lichaam aan voorafgegaan. Het was de maandag dat Paula de eerste schooldag na de vakantie bijwoonde. En ook de dag waarop Robert met hulp van de buren de bloemenzee op het plein voor de ouderlijke woning van Régis had weggehaald, om het rouwbeklag van buiten naar binnen te verplaatsen. Die maandag belden de rechercheurs. „Het leek wel een film”, zegt Robert over die coïncidentie. „Ik wist meteen wat ze gingen vertellen. Ik heb gevraagd of ze over een uurtje konden komen zodat Paula van school kon terugkomen.”

Paula: „Ik was op de eerste dag na de vakantie naar school gegaan maar niemand vertelde z’n vakantieverhalen. Iedereen ging om me heen staan. Luisteren naar mijn verhaal. Om half één ben ik weggehold want ik kreeg te horen dat ze Régis hadden gevonden.” Dat was goed nieuws. Robert: „Je bent dankbaar. Maar de feiten zijn hard. Dat hebben de rechercheurs wel heel mooi gedaan. Ze hebben afgetast: waartoe zijn deze mensen in staat, wat kunnen ze allemaal aanhoren.” Paula: „Je denkt: het is goed dat ze hem hebben gevonden. Maar als je hoort hoe vreselijk hij eruitziet…” Robert: „Op aanraden van de rechercheurs hebben we een tijd gewacht om naar Régis toe te gaan. Ze adviseerden eerst de tijd te nemen de harde feiten te verwerken. Paula: „Je ruikt bij de kist de penetrante geur van formaline. Vreselijk. De rechercheurs moeten de informatie heel neutraal brengen. Maar ik zat met allerlei specifieke vragen. Ze vroegen of ik de rauwe feiten wilde weten. Ik zei ja. Het lichaam was bijna naakt gevonden. Hij had alleen een hoog opgerold T-shirt om zijn lichaam en een schoen aan.” Robert: „We hebben een foto van zijn schoen gezien. Ik kon zien dat het zijn schoen was. Hij deed namelijk nooit zijn veters vast. Hij ging er in, huppakee, zonder te strikken.”

Paula: „Het lichaam was in verregaande staat van ontbinding. Zwart en blauwig. Het heeft drie dagen of langer buiten in de zon en de hitte van 35 graden gelegen. We hebben hem niet gezien. Dat werd ons sterk afgeraden. Ook de foto’s niet van het lijk toen dat in Nederland was aangekomen. In het ziekenhuis heb ik nog gevraagd of ik een stukje van zijn haar mocht hebben. Dat kon niet, zeiden ze, want het haar was slijm geworden. Ik dacht: hou op, dit werkt traumatiserend, ik wil dat niet weten.” Robert: „Een detail dat bij mij is blijven hangen: hij schijnt geland te zijn op zijn onderlijf. Dat is volledig gebroken. Dat stond alle kanten op.” Paula: „Het was helemaal slap.” Robert: „Ik zie voor me dat het grote moeite heeft gekost om dat in een kist te krijgen.”

Paula staat op, wandelt door het halletje, langs de slaapkamer van Régis, naar de keuken en haalt iets te drinken. Robert: „We hebben de vlag van Amsterdam op de kist laten leggen. Van het lichaam zelf wilde ik afblijven. Ik dacht: laat dat met rust, ga daar niet meer mee sollen. Maar mijn vrouw had heel erg de behoefte….” Hij snikt. „En dat begrijp ik ook wel, zij als moeder.” Hij herpakt zich. „Om het aan te kleden. Ik zei: dat gaat toch niet, man? Dan merk je dat je er allebei verschillend in zit maar dat je toch bij elkaar komt. Door erover te praten.” Paula: „Het lichaam was al te ver heen, dat kon niet meer.” Robert: „We hebben toen een deken die we ooit gekocht hebben in Guatemala in de kist over hem heen laten leggen. Die deken representeert iets moois. Geboorte, leven, dood, leven na de dood. Past bij de Maya’s.” Paula: „Dat je door de vondst van zijn lichaam het verdriet een plaats kunt geven, zoals wordt gezegd, is echt een cliché: je kunt het niet afsluiten. Het moment dat we hem terugkregen, was een reality check, dat wel. Maar ongeloof en realiteit wisselen elkaar nog steeds af. Ik bedoel: hij zou gewoon eventjes naar Bali gaan. Ik zat daar al. Je denkt: hij komt straks weer terug. Maar dat is niet zo. We hebben voor die dichte kist gestaan.”

7 Jongeren rouwen op hun eigen manier

De uitvaart hebben ze twee weken na de identificatie gehouden in een kerk, schuin tegenover café Loetje. De oudkatholieke kerk wordt nog steeds gebruikt door het Montessori Lyceum, waar beide kinderen hun diploma hebben gehaald. Paula: „Ik kwam op het idee voor die kerk. Ik vond dat de uitvaart bijzonder moest zijn. Niet zomaar in een verlengstuk van een auditorium van de Dela met een half uurtje afscheid en dan cake en koffie. Die kerkelijke sfeer vond ik wel mooi. Alhoewel Robert er toch een katholieke twist aan wilde geven.” Robert: „Het was geen katholieke dienst. Wel zaten er een paar religieuze momenten in waarvan ik als gelovig katholiek weet dat die ook door niet-gelovigen als mooi worden ervaren. Het organiseren van een uitvaart geeft kracht en troost. Dat is ook precies wat er nu gebeurt. De zon schijnt en Régis laat wat zonnestralen door uit het paradijs. Zo voel ik dat. We hebben vooral de jeugd erbij betrokken. Dat wilde de jeugd. Al weken voordat wij het lichaam van Régis weer terug hadden, vroegen ze wat wij met de uitvaart gingen doen. Ze zeiden: we willen eigenlijk….” Hij begint te huilen. „Ze wilden erbij betrokken worden. Dat hebben we gedaan. Twee vrienden van Régis hebben gesproken. Ze hebben vooraf de kerk mee helpen inrichten. En tijdens de uitvaart bloemen gebracht en weggehaald.”

Paula: „En de kist dragen. Ik zag twijfel bij jongelui. Zijn vriend Sam had twijfel op gezicht. Hij dacht: dat ga ik niet redden. Die zat er doorheen. Hij heeft het toch gedaan. Dat vond ik moedig.” Robert: „Je vraagt natuurlijk nogal wat. Volwassenen hebben er al moeite mee. Dit zijn jongeren.” Paula: „Achttien of negentien jaar.” Robert: „Je voelt de kracht van de jeugd.” Hij huilt opnieuw. „Je voelt dat zij op hun manier rouwen.”

Later mailt Robert onder meer de tekst van de toespraak die dochter Fleur bij de uitvaart hield. Ze haalt herinneringen op en besluit haar speech, sprekend tegen de afwezige broer: „Of je nou chagrijnig, opgewekt, verdrietig of blij was, je aanwezigheid was altijd door duidelijk voelbaar. Zo is nu ook je afwezigheid pijnlijk voelbaar in huis. Het verse jus d’orange glaasje dat mama elke dag voor jou inschonk, en ik vaak stiekem opdronk omdat jij pas om twee uur je bed uit kwam, dat staat niet meer op tafel. De galmende muziek die uit je kamer kwam. Je Beyoncé-gezang dat door alle muren heen galmde. Je blauwe badjas waar je praktisch in woonde. Niks is hetzelfde. Alles wat overblijft is slechts de herinneringen aan jou en een akelige stilte.”

8 ‘Hij heeft gevoeld dat ik van hem heb gehouden’

Er is iets pijnlijks aan de rouw om Régis. Dat is dat Robert het gevoel heeft dat de verhouding tussen vader en zoon de laatste jaren niet zo goed was. Waar moeder Paula erin is geslaagd al vrij snel mooie momenten uit het leven van Régis voor de geest te halen, daar is vader Robert aan het piekeren geslagen over de relatie met de zoon van wie hij zo veel heeft gehouden.

Op de vraag of een ramp als deze je als mens verandert, antwoordt Paula in het algemeen dat haar besef sterker geworden dat je als mens een beperkte tijd op aarde bent. „Het besef dat je misschien meer moet investeren in het heden. Hoewel dat besef nog wel aldoor wordt verdreven door die donkere wolk.” Robert daarentegen antwoordt dat hij probeert als mens te veranderen en dat heeft alles te maken met Régis. Robert: „Ik ben iemand van ‘eerst de lasten dan de lusten’. Eerst iets schoonmaken of opruimen. Iets afmaken. Pas daarna vind ik dat ik het recht heb om onderuit te zakken en te genieten. Dat probeer ik anders te doen.” Paula: „Dat is iets van je ouders. Ordnung muss sein.” Robert: „Ja. Het wordt tijd dat ik besef dat er niemand is die tegen mij zegt: het is nog niet af.” Paula knikt naar haar man. „Hij heeft een sterk verantwoordelijkheidsgevoel.” Robert: „Régis heeft het laatste jaar vaak tegen me gezegd: ga wat meer leuke dingen doen.” Paula: „Wat hij te veel deed, deed jij te weinig.”

Paula vertelt dat hun zoon graag de grenzen opzocht. Robert: „Hij wilde het leven testen. De omgeving testen. Zichzelf onderzoeken.” Paula: „Jij vergeleek hem altijd met jezelf. Maar jij ging de deur uit om in Utrecht te gaan wonen toen je achttien werd. Je was uit het zicht van je ouders. Régis woonde nog hier. Dan krijg je botsingen. En hij was een late puber. Dat uitgaan en met meisjes te veel biertjes drinken, dat begon pas op zijn zeventiende.” Robert: „Hij had een sterke wil. Hij kon je heel erg onder druk zetten. Als hij iets wilde, dan moest het.” Paula: „De wilsvorming is inherent aan adolescentie. Ze willen weten wie ze zijn, wie ze worden. Ik kon het redelijk goed aan. Hij luisterde ook meer naar mij dan naar hem.” Robert: „Hij woonde nog thuis. Maar hij deed nooit iets in huis. Boodschappen heb ik hem nooit zien doen.” Paula: „Sorry, maar daar zijn we zelf debet aan.” Robert: „Tuurlijk! Zoals alle moderne ouders.”

Paula: „Mijn broer zei weleens: wat maak je je nou zorgen om hem? Hij heeft zijn diploma gehaald en werkt zich suf voor al zijn hebbedingetjes.” Robert: „Wat we wel moeilijk vonden, is dat hij heel kwetsend kon zijn. Dat is mijn pijn. Hij was heel kwetsend.” Paula: „Ik denk dat heel veel pubers kwetsend kunnen zijn.” Robert: „Hij kon heel pittige dingen zeggen. En niet één minuut. Dat ging maar door. Je wil iets anders uit het verleden naar boven halen. Leuke dingen. Dat lukt me nog niet.” Paula: „Wij moesten soms voor hem een toets maken. Voor Nederlands op school. Dan zei hij: ‘Tja, jullie zijn allebei academisch geschoold en jullie hebben die toets gemaakt, nou, mijn juffrouw vindt het niet goed’.” Robert grinnikt. Paula: „Het was onvoldoende. Hij zei: ‘Ik snap het niet’. Dat vond hij leuk.” Robert: „Je moet je afvragen of hij ons goed heeft verteld wat de opdracht was.”

Robert put troost uit wat mensen uit zijn omgeving zeggen: dat als Régis nog had geleefd, het helemaal goed zou zijn gekomen. „Ik kan erop vertrouwen dat onze relatie niet eeuwig gespannen zou zijn geweest. Dat zou heus veranderd zijn.” Dochter Fleur wist hem de avond na de ramp al te troosten. Robert: „Ze zei mij dat hij zeker van mij gehouden heeft en dat hij gevoeld heeft dat ik van hem heb gehouden. Toen wist ik oké, ik ga me daarover dus niet gek maken.”

9 Hoe kun je met tweeduizend mensen rouwen?

Tijdens het laatste gesprek in de huiskamer van de woning aan het Ingenieur Jakoba Mulderplein, achter Artis, die vol staat met foto’s van Régis, vertellen zijn ouders dat ze hebben opgezien tegen de massale nationale herdenking van alle slachtoffers van de rampvlucht in de Amsterdamse RAI, maar dat ze het toch erg mooi hebben gevonden. Paula: „Vooraf dacht ik: Hoe kun je met tweeduizend mensen rouwen? Maar ze hadden van een lelijk gebouw toch iets moois gemaakt. Met rustige gordijnen en een muur met de namen van alle overledenen. Er hing een bloemetje voor de laatste letter van de naam van Régis. Dat bloemetje hebben we weggehaald. Er was veel mooie muziek. Heel erg mooi vond ik de toespraak van Jacobine Geel. En ik was ook onder de indruk van het praatje van het meisje van dertien over haar moeder. Fier en trots. Veel mensen waren met grote groepen. Ik had verwacht nog veel nabestaanden te spreken. Dat gebeurde niet. Na afloop zat iedereen met rode ogen te sniffen. Je wilt wachten tot die mensen hun waardigheid terug hebben dus je gaat er niet naast staan en vragen: ‘wie is er bij jullie overleden?’ Dat heb ik dus niet gedaan.”

Robert: „Na de bijeenkomst ving ik gesprekken op van jeugd om me heen. Het waren niet directe nabestaanden. Ze hadden het over leuke andere dingen, over het gewone leven. Dat viel me op.”

Het gesprek gaat over het rouwproces en over wat Jacobine Geel zei: dat je niet moet blijven hangen in verdriet. Robert: „Wat zij zei was precies zoals ik erin zit. Blijf niet hangen in de rouw, zorg dat je de rouw ooit kunt afsluiten, want pas dan kun je toekomen aan leven.” Paula: „Haar woorden waren mooi gekozen en daar ben ik gevoelig voor. Maar het is niet de buurman die doodgaat, het is je kind. Je stapt er niet zomaar overheen. Er gaan allerlei gedachten door je heen. Dat het leven ineens afgelopen kan zijn. De dood van je kind kun je niet verwerken. Misschien gaan de scherpe randen met de tijd vervagen. Je kunt er niet de hele dag over nadenken.” Robert: „Het is goed als je weer eens lacht. Je moet leren aanvaarden dat je weer lacht.”

10 Die grote heftigheid wordt minder

In huize Crolla gaapt de lege kamer van Régis je aan. Zijn ouders hebben nog regelmatig contact met zijn vrienden. Om de twee weken laten ze een groepje komen. Dan eten ze samen en troosten ze elkaar. Paula: „In het begin was ik bang om verhalen over de toekomst te horen, want Régis heeft geen toekomst meer. De een is geschiedenis gaan studeren, de ander economie. Maar het was toch anders.” De vrienden blijken graag een aandenken aan Régis te willen hebben. „Een T-shirt. Een parfum. Schoenen.” Robert: „Ze zijn op zoek naar herinnering. Ze kijken in zijn kledingkast. Als je dat ziet, dan doet je dat wel wat.”

Paula is onlangs met een jeugdvriendinnetje van Régis uit eten geweest, en ’s avonds vertrok het meisje naar Club Air, de club waar hij in de weekeinden heeft gewerkt. „Dan ben ik zo nieuwsgierig! Ze vertelde dat er nog twee heel grote foto’s van hem hingen. Ze vertelde: ‘dan heb ik toch nog contact met hem’.”

Paula en Robert hebben het prettig gevonden dat Nederland met hen heeft meegeleefd. Paula: „Een vriendin van mij heeft een kind verloren bij een auto-ongeluk. Bij haar is de burgemeester niet op bezoek geweest. Bij haar leefde niet iedereen mee. Dat zou haar ook goed hebben gedaan. Je wilt gehoord worden.” Robert: „Dat iedereen weet wat ons is overkomen, is een steun.”

Vanzelfsprekend is niet alle aandacht even oprecht. Paula: „Veel mensen liften mee op het verdriet. Ik heb plotseling honderden whatsapp-vrienden. Je kent ze niet eens.” Robert: „Dat heb ik ook op Facebook.” Paula: „Mensen willen het gewoon weten.” Robert: „Wat wij hebben meegemaakt, vinden veel mensen gewoon spannend. Dan denk je: laat me even, ik kom hier gewoon alleen maar even boodschappen doen.” Paula: „Ik ga vaak naar de andere Albert Heijn dan deze hier op de hoek. Dan hoef ik al die mensen niet te zien.”

Anderzijds merken ze nu al dat de aandacht voor hun leed aan het wegebben is, en dat is misschien maar goed ook. Paula: „Ik kan niet blijven praten over Régis. Op een gegeven moment ga je zelfs anderen troosten.” Robert: „Doordat heel Nederland met ons meeleeft, word je herinnerd aan je verdriet op momenten dat jij het niet wilt. Waar je naartoe wilt, is dat je het verdriet dat diep in je hart weg is gezakt, naar boven haalt op momenten dat jij het wil. Dat gaat heel lang duren, heeft een goede vriendin mij uit eigen ervaring verteld. Vijf tot tien jaar.”

De eerste shock zijn ze in elk geval te boven gekomen. Paula: „Die grote heftigheid wordt minder. In het begin dacht ik met mijn distorted mind in taxi’s op straat de hele tijd het gezicht van Poetin te zien. Dat is minder geworden.” Robert is de gebeurtenissen gaan opschrijven. „Het is een manier van verwerken.” Slapen doen ze allebei nog niet goed. Robert heeft twee keer via zijn werk met een psycholoog gesproken. Paula overweegt dat ook te doen. Voor echte therapie, mocht die nodig zijn, is het nog te vroeg.

Ze vertellen wat ze met de as van Régis gaan doen. Paula en dochter Fleur hebben de wens iets van zijn as thuis te hebben in een kunstwerk dat de kosmos symboliseert. Robert heeft als wens een ander deel van de as te bestemmen voor een eenvoudige urn die in een nis op de begraafplaats zal worden gezet, zodat ook de rouwende jeugd ernaartoe kan. Robert: „Een urn met een sokkel met zijn naam en geboorte- en sterfdatum.” Paula: „Hij wilde per se niet MH17 erop zetten.” Robert: „Nee.” Paula: „Dan krijg je MH17-toerisme.”

Er zijn ook nog drie armbandjes die Régis tijdens de rampvlucht droeg en die zijn teruggevonden. Die hopen ze in epoxyhars te kunnen laten gieten. Raar eigenlijk, dat je ineens moet beslissen wat er met zijn lichaam moet gebeuren, zonder dat hij zich daarover heeft uitgesproken. Paula: „We hebben nooit in de verste verte ook maar gesproken over cremeren of zo. Hij heeft wel gezegd dat hij na zijn dood zijn lichaam aan de wetenschap wilde geven. Daar hadden ze dan op school in de les over gesproken.”

Robert: „Vannacht is er opeens iets door me heen gegaan. Iets wat hij vaak tegen me zei, als we het hadden over gezond eten, was dat hij heel oud wilde worden, wel honderd jaar, daar wilde hij z’n best voor doen. Ik gaf dan meestal een antwoord in de trant van: dan zou ik om te beginnen maar wat minder hamburgers eten. Ha!” Paula: „Hij was erg op z’n gezondheid. Hij haalde een hele nacht door en de volgende ochtend wilde hij ineens gezond leven en vers sinaasappelsap drinken en als een idioot rennen naar IJburg en terug.” Robert: „Wat me ook door mijn hoofd is geschoten is dat als we het de afgelopen jaren hadden over doodgaan, ik wel eens gezegd heb dat er bij mijn uitvaart niet veel mensen zouden komen. Waarop hij dan zei: ‘Bij mijn uitvaart komen heel veel mensen’.”

Misschien, zeggen de ouders van Régis, zullen ze de komende tijd nog nabestaanden ontmoeten met wie ze ervaringen kunnen delen. Paula: „Op mijn vlucht terug uit Bali vertelde de gezagvoerder van het vliegtuig mij dat er een jongen van negentien aan boord was die zijn beide ouders was kwijt geraakt. Wij waren op die vlucht de enige nabestaanden. Ik zou die jongen weer op het spoor willen komen. Misschien kunnen wij iets voor hem betekenen.”