Chinese belegger houdt van een gokje

De Chinese beurs breekt het ene na het andere record. De 114 miljoen particuliere beleggers profiteren daarvan. „Een koerswinst van 71 euro, daar eten we een halve maand van.”

Handelshuis in Shanghai; veel particuliere beleggers gaan naar dit soort plekken om aandelen te kopen en verkopen. Foto AFP

Het is dat meneer Tang Yong Ming (79) een pacemaker heeft, want anders had zijn hart het allang begeven. Hoe hard de koersen op de beurs van Shanghai ook stijgen – in vier weken met bijna 20 procent – zijn hartslag blijft stabiel. „Anders had ik van mijn vrouw hier niet eens mogen komen, want in 2008, toen de markt inzakte, stopte mijn hart even”, zegt de voormalige machinebankwerker bij Mannesmann laconiek.

Tang houdt zijn blik strak gericht op de muurbedekkende beeldschermen in de beurszaal van effectenmakelaar Shenyin & Wanguo aan de Shanghaise Guangdong Lu. De stemming zit er op woensdagochtend goed in, want de index van de grootste 300 bedrijven schiet door de 3.000 puntengrens en zakt niet meer terug. Vrijdag sloot de beurs op 3108,6 punten, een winst van 5,8 procent in een week.

De koersen van grote staatsbanken, energie-, transport- en luchthavenbedrijven kruipen per minuut omhoog. Sommigen raken opgewonden van breaking news: de olieprijs daalt verder en de Chinese planners investeren 10 miljard euro in een derde internationale luchthaven die in 2005 de grootste van de wereld zal zijn.

Glunderend stelt Tang vast dat zijn gok om ongeveer 1.000 euro in de grootste twee Chinese spoorwegmaatschappijen te steken mooi uitpakt. De koersen van de twee reuzen zijn sinds vorige maand al 10 procent gestegen, nadat bekend werd dat de bedrijven gaan fuseren om in Afrika en Midden-Amerika hogesnelheidslijnen te gaan bouwen.

In de zaal, een van de 4.000 officiële ‘aandelencentra’ in China, is in de loop van de ochtend iedere stoel bezet. Laatkomers, sommigen met boodschappentassen in de hand, moeten staan. Bij het bureau van een dienstdoende analist van het oudste makelaarshuis van Shanghai staat onder het bord ‘Wij lossen al uw financiële puzzels op’ een lange rij nieuwkomers.

Bij de computerterminals, links en rechts, is het dringen. Als een kromgetrokken vrouw er te lang over doet om met haar reumatische vingers een kooporder in te tikken, schettert een andere oma dat zij een beetje moet opschieten. Vlug wordt dan duidelijk dat de geüniformeerde bewakers een taak hebben.

„Het is beter om al vroeg in de ochtend je aandelen te wokken”, grijnst meneer Tang. ‘Chao gupiao’ is de term die hij gebruikt. Dat is spreektaal voor „aandelen bakken of wokken”. Hij beschouwt zichzelf als een uitstekende ‘kok’, want hij beweert nog nooit een mao (kleinste Chinese munteenheid) te hebben verloren. En hij komt hier al sinds de heropening van de beurs in december 1990.

Kapitalistisch experiment

Toenmalig leider Deng Xiaoping draaide in dat jaar een van Mao Zedongs „historische persoonlijke beslissingen” terug. De stichter van de Volksrepubliek zette in juni ’49 het Rode Leger in om het kapitalisme „te wurgen” door de aandelenhandel „voor eeuwig stil te leggen”. Deng Xiaoping dacht daar anders over en stond in het kader van zijn „openings- en hervormingsbeleid” een kapitalistisch experiment toe. Dat experiment duurt al weer bijna 25 jaar en gaat gepaard met wilde koersbewegingen en talrijke grote en kleine schandalen over handel met voorkennis en prijsmanipulaties.

Van alle hervormingen in China vormt de proef met het pièce de résistance van het kapitalisme misschien wel de meest fascinerende paradox. De tweede economie van de wereld heeft een beurs nodig om de markt beter en efficiënter te laten functioneren, maar tegelijkertijd wil de Communistische Partij van China de greep op de kapitaalmarkten niet verliezen.

Hervormingen, zoals de koppeling aan de Hongkongse beurs en de internationalisering van de yuan, vinden dan ook traag en na jarenlang aarzelen plaats. De angst voor machtsverlies, speculatie en vooral kapitaalvlucht is zo groot, dat het financiële systeem grotendeels gesloten blijft, zowel voor Chinezen als voor buitenlanders.

Tang, die lid is van de Communistische Partij, houdt zich niet mee bezig met politiek. „Is een beurs goed of slecht? Dat hangt er vanaf of je goed oplet. Als je hier binnenkomt weet je dat je geld kunt winnen én verliezen. Waar staat geschreven dat het socialisme geen gebruik kan maken van een aandelenbeurs. De planeconomie onder Mao Zedong werkte niet en daarom is Deng Xiaoping overgeschakeld op de markteconomie. Wij zijn heel praktisch”, zegt hij.

De kwieke amateurbelegger is deze ochtend vooral tevreden over zijn eigen tactiek. Aandelen van de Eerste Tractor Fabriek en van PetroChina, die hij vier weken geleden voor in totaal 1.000 euro kocht, leveren een winstje op van 71 euro. „Daar eten mijn vrouw en ik een halve maand van”, lacht hij tevreden.

Tang heeft in totaal ongeveer 10.000 euro belegd, waar hij dit jaar al 750 euro op heeft verdiend. Niet zo veel als in het topjaar 2007 toen de grens van 6.000 punten werd overschreden, maar toch een leuke aanvulling op zijn pensioen van 700 euro per maand.

Beleggen is zijn hobby en hij ontmoet hier zijn „oude vrienden”, de hoogbejaarde heren Wang, Zhen en Chen, die net als hij niet van kaarten en mahjongen, maar wel van gokken houden. De vriendenclub behoort tot het uitdijende leger van 114 miljoen particuliere investeerders op de Chinese aandelenmarkt met een waarde van 3.675 miljard euro.

Sinds begin vorige week zijn er 900.000 nieuwe rekeningen geopend, inclusief die van nieuwe makelaarsbedrijfjes. Hoe kan het ook anders op een beurs die in vijf maanden met 40 procent in waarde is gestegen.

Tegen lunchtijd verspreiden zich in het beursgebouwtje de geuren van gebakken vis en gekookte groenten die zijn gebracht door echtgenotes en dochters van Tangs clubje. Twee zusters in gewatteerde pyjama’s nemen na de lunch en voor het begin van de middagsessie hun breiwerkjes ter hand.

De taferelen wekken associaties op met de recreatieruimte in een Nederlands bejaardenhuis tijdens de wekelijkse bingomiddag. De hoge gemiddelde leeftijd in de zaal van handelshuis Shenyin & Wanguo vertekent het algemene beeld van de kleine Chinese beleggers. Uit recent onderzoek blijkt dat slechts 17 procent van de Chinese beleggers de 55 is gepasseerd, het merendeel is jonger en gebruikt uitsluitend internet.

Grote schommelingen

Zhou Jia Qing (28) van Guifeng Financial Information is een van die jongeren die van hun beleggingen en hun werk in de financiële sector goed leven, getuige de nieuwe Porsche Cayenne voor zijn kantoor. „De oude grap klopt: in China is gokken alleen toegestaan in de casino’s van Macau en op de beurzen van Shanghai en Shenzhen. Het zijn vooral de grootmoeders en grootvaders die gokken en daardoor voor de grote schommelingen zorgen. Jongeren houden hun aandelen langer vast”, vertelt hij.

Van de kleine beleggers lijdt 70 procent verlies, zegt hij. Vandaar ook dat dezer dagen de Chinese autoriteiten telkens opnieuw waarschuwen voor de enorme risico’s. Kranten staan vol met verhalen van beleggers die hun huizen hebben verkocht om hun slag op de beurs te slaan, of zich bij familie en vrienden diep in de schulden te steken.

Schaduwbanken bieden leningen met woekerrentes van 25 procent per maand aan. Zhou Jia Qing tikt met zijn pen tegen zijn monitor met koersgrafieken: „Zij kunnen het bijna nooit winnen van de grote beleggers die 65 tot 70 procent van de markt in handen hebben en door hun politieke relaties altijd met voorkennis kunnen werken als zij niet samenspannen om de de prijzen te beïnvloeden”.

Handel met voorkennis en prijsmanipulaties zijn sinds 2025 bij wet verboden, maar werden tot begin dit jaar nauwelijks aangepakt. Als gevolg van president Xi’s campagne tegen corruptie zijn de grote spelers op hun hoede, zeker nu een van de Xi’s jagers op „corrupte tijgers” de beurs een beerput heeft genoemd.

Dagelijks worden er voorkennisonderzoeken en rechtszaken geopend die eindigen in pittige veroordelingen. Ook valt op dat de media de ruimte krijgen van de censuur om agressieve financiële onderzoeksjournalistiek te bedrijven, vooral als er hoge partijfunctionarissen in het spel zijn.

Meneer Tang en zijn vrienden juichen de schoonmaak toe, maar blijven zich scherp bewust van hun informatieachterstand ten opzichte van de grote beleggers, die sneller en beter worden geïnformeerd over de economische plannen van de autoriteiten. Zij moeten het doen met berichten in financiële pers en op de financiële websites.

Zij weten ook dat staatsbedrijven zoals PetroChina, Bank of China en China Mobile hun winsten overdrijven, verliezen wegmoffelen en beleggers zelden tijdig informeren. Het is de reden waarom zij hun beleggingen scherp in de gaten houden en al reageren bij maar het geringste vermoeden van een koersverandering. „Je weet dat je elk moment zo weer alles kunt verliezen, soms zelfs in een paar minuten. Als het vuur onder de pan hoog staat, kun je je ook makkelijk branden”, zegt Tang.

Hij zou zijn beleggingen langer vasthouden als staatsbedrijven hogere dividenden zouden uitkeren, maar zolang dat niet het geval is, komt zijn winst (of verlies) uit de koersschommelingen van uur tot uur, of dag tot dag. Voor een staatsbedrijf is een belegger als Tang slechts kleine statistiek. „Zo werkt het kapitalisme voor de gewone man”, zegt hij schouderophalend.

De jonge belegger Zhou Jia Qing kan intussen niet wachten tot de dag dat de Chinese kapitaalmarkten worden opengegooid, en Shanghai, net als in de jaren dertig van de vorige eeuw, weer de grootste beurs van Azië wordt. Hij droomt over zichzelf als de Chinese Warren Buffett. Als de kapitaalmarkt open was geweest, had hij mee kunnen doen aan de beursgang van internethandelshuis Alibaba. „Maar ik ben bang dat ik dat nooit zal meemaken”, zucht hij.

Dat klinkt realistisch, maar is in het Wilde Oosten waarschijnlijk een te pessimistische prognose.