Aseksueel en toch romantisch

Aseksualiteit is geen stoornis en ook geen keuze. Het is een seksuele oriëntatie, net als homo-, hetero- of biseksualiteit. Toch hebben psychologen er nu pas een vragenlijst voor.

Foto Shutterstock

‘Seks heeft geen plaats in mijn leven.” „Ik heb er alles voor over om situaties te vermijden waar misschien seks van me verwacht wordt.” „Ik heb niet het gevoel dat ik in de bestaande categorieën van seksuele oriëntatie, zoals heteroseksueel, homoseksueel of biseksueel pas.”

Dat zijn drie items van een nieuwe vragenlijst, bedoeld om een vierde type seksuele oriëntatie vast te stellen, naast hetero, homo en bi: aseksualiteit. Psychologen van de universiteit van British Columbia in Vancouver publiceerden de vragenlijst vorige maand online in het vakblad Psychological Assessment.

Zo’n instrument was nodig, schrijven de psychologen, omdat proefpersonen in het nog schaarse onderzoek naar aseksualiteit meestal geworven worden via speciale organisaties voor aseksualiteit (zoals AVEN, zie voetnoot). Dan mis je dus de mensen die zichzelf nog niet als aseksueel hebben geïdentificeerd, maar dat wel zijn. Die mensen kennen de term aseksualiteit misschien niet, en zouden zichzelf weleens als homoseksueel of heteroseksueel kunnen beschouwen omdat ze geneigd zijn verliefd te worden op mensen van hetzelfde of het andere geslacht. Want ja, aseksuelen kunnen wel degelijk verliefd worden. Sommigen kunnen trouwens ook seksuele lust ervaren, alleen niet op anderen gericht; sommigen masturberen. Welkom in een wereld vol misverstanden.

En in een rare wereld? Ach, het is maar wat je raar vindt, zegt psycholoog Tony Bogaert van Brock University, een Canadees van Nederlandse afkomst, via skype. Misschien is seks wel raar. „Als je een aseksueel perspectief op de wereld inneemt”, zegt hij, „dan zie je hoe seks mensen een hoop problemen oplevert. Seksualiteit is voor veel seksuele mensen een bron van passie en plezier, maar het is ook een beetje gek. We gaan er rare dingen door doen, we hebben last van rare vormen van jaloezie. En onze belangstelling voor de sekslevens van andere mensen heeft een enorme invloed op de hele maatschappij. Neem politieke schandalen die met seks te maken hebben... Seks is zo met onze cultuur verweven. Ook met marketing, met kunst...”

Nooit zin

Aseksuelen staan erbij en kijken ernaar. Het zijn mensen die nooit zin hebben in seks met iemand anders, die zich niet seksueel aangetrokken voelen tot anderen. Niet tot mannen, niet tot vrouwen. En er is nog maar weinig wetenschappelijks over hen bekend; het onderzoek naar aseksualiteit kwam pas een jaar of tien geleden op gang. In 2004 publiceerde Bogaert een studie waaruit bleek dat ongeveer één procent van de mensen aseksueel is (in Journal of Sex Research). „Daar begon mijn onderzoek naar aseksualiteit mee”, vertelt hij. „Daarvoor was ik een traditionele seksuele-oriëntatie-onderzoeker.”

Tot hij dus stuitte op een nationale Britse enquête, al wat ouder, uit 1990, waarin vragen waren gesteld over onder meer seksueel overdraagbare aandoeningen en seksuele oriëntatie. „Meestal vragen ze dan: voelt u zich aangetrokken tot mannen, tot vrouwen of tot beide? Maar hier hadden ze ook een categorie ‘ik heb me nog nooit seksueel aangetrokken gevoeld tot iemand’. Ik dacht: wacht eens even, hier is een vierde groep waar nog nooit naar gekeken is. Die mensen zijn aseksueel!” En dat was dus één procent, in die steekproef. Dat is in het algemeen een goede schatting, denkt Bogaert nog steeds: „Het zal ergens tussen een halve en anderhalve procent liggen.”

Bogaert is inmiddels een expert op het gebied; twee jaar geleden publiceerde hij het boek Understanding Asexuality. Hij was niet betrokken bij het ontwikkelen van de nieuwe vragenlijst, maar hij is er wel enthousiast over. „Een vragenlijst als deze kan mensen als aseksueel identificeren, of ze zichzelf nu als aseksueel zien of niet. En omdat aseksualiteit voor sommige mensen een nieuw concept is, kan het verwarrend zijn om er direct naar te vragen.”

Daarom bestaat de vragenlijst uit twaalf subtieler geformuleerde items. Want er zijn veel misverstanden over aseksualiteit, schrijven de vragenlijstontwikkelaars uit British Columbia (Canada) in hun artikel. Er wordt wel gedacht dat aseksuelen bang zijn voor seks, dat ze heel religieus zijn, dat ze bewust gekozen hebben voor een celibatair leven, dat ze getraumatiseerd zijn of dat aseksualiteit een psychische of lichamelijke stoornis is in plaats van een seksuele oriëntatie. Veel mensen beschouwen aseksuelen als een minderwaardig, minder menselijk soort mensen, lieten weer andere Canadese onderzoekers zien (Group Processes and Interpersonal Relations, 24 april 2012 online). Mensen zouden bijvoorbeeld niet graag een huis verhuren aan een aseksueel persoon, of aseksuelen een baan aanbieden, bleek uit hun studie.

Maar aseksualiteit is dus geen keuze, geen religieuze kwestie, geen gevolg van een trauma. Aseksuelen zijn ook in het algemeen niet bang voor seks. Er zijn er wel die seks vies vinden, die ervan walgen, maar er zijn er ook die wel degelijk een libido hebben. „Een solitair verlangen”, noemt Bogaert dat. „Een soort aspecifieke seksuele spanning die ze willen ontladen, ook al is die niet op andere mensen gericht.” Deze groep aseksuelen masturbeert dus soms, zoals iemand ook krabt als hij jeuk heeft. Een belangrijk punt, vindt Bogaert, voor wie wil begrijpen wat aseksualiteit is. Hij herhaalt nog maar eens: „Aseksuelen zijn primair mensen die zich niet lustvol aangetrokken voelen tot andere mensen.”

Niet lustvol, niet seksueel, maar soms wel liefdevol, wel romantisch – een deel van de aseksuelen wordt weleens verliefd. In Bogaerts artikel uit 2004, over de Britse survey uit 1990, woonde eenderde van de aseksuelen samen of was gehuwd; nog eens een op de negen aseksuelen had weleens een lange relatie gehad.

„Dat weten veel mensen niet”, zegt Bogaert. „Het zit in onze cultuur om te denken dat als je je romantisch aangetrokken voelt tot iemand, dat je je dan automatisch ook seksueel tot diegene aangetrokken voelt. Dus veel mensen denken dat iemand die aseksueel is ook a-romantisch is, maar dat hoeft niet. Aseksuelen zijn een interessante demonstratie van het feit dat seksualiteit tenminste deels los te koppelen is van romantiek. Je ziet dat elders ook: gemiddelde, heteroseksuele mensen kunnen zich soms romantisch aangetrokken voelen tot mensen van hetzelfde geslacht.” Bogaert zou dan ook graag zien dat de termen ‘heteroromantisch’ en ‘homoromantisch’ meer gebruikt zouden worden, om de terminologie zuiver te houden. „Als we de seksuele oriëntatie van mensen bepalen, moeten we eigenlijk ook hun romantische oriëntatie bepalen.”

Linkshandig

Hoe een aseksuele oriëntatie precies ontstaat in iemands ontwikkeling, is onbekend. We weten wel dat aseksuelen gemiddeld relatief vaak linkshandig zijn, zegt Bogaert. „Net als homoseksuelen. Waarschijnlijk beïnvloedt iets in de ontwikkeling links- en rechtshandigheid én bepaalde hersenstructuren die met seksuele aantrekking samenhangen.” Niet elk onderzoek vindt overigens het verband tussen homoseksualiteit en linkshandigheid.

Vrouwen zijn iets vaker aseksueel dan mannen: Bogaert schat de verhouding vrouwen-mannen onder de aseksuelen op 60-40. Hoe dat komt weten we ook niet. „Misschien is de vrouwelijke seksualiteit gevoeliger voor veranderingen in de ontwikkeling in de baarmoeder”, speculeert Bogaert. „Maar het verschil kan ook ontstaan doordat vrouwen zich minder bewust zijn van hun eigen seksualiteit dan mannen, omdat hun fysiologische reacties subtieler zijn – vaginale vochtigheid is subtieler dan een volledige erectie, bijvoorbeeld. Misschien interpreteren vrouwen hun opwinding minder snel als seksuele aantrekking.”

Wat is dan eigenlijk het verschil tussen aseksualiteit en seksuele stoornissen, zoals hypoactive sexual desire disorder (HSDD)? Dat is nog niet zo makkelijk, zegt Bogaert. „Bij sommige aseksuelen wordt waarschijnlijk die diagnose wel gesteld. En op een bepaalde manier is er inderdaad een theoretische overlap. Maar je mag die diagnose alleen stellen als mensen er zelf last van hebben. Als mensen geen probleem zien in hun gebrek aan seksuele lust en toch die diagnose krijgen, is dat ten onrechte.”

Maar als ze wel een partner hebben, krijgen ze misschien last van hun aseksualiteit omdat hun relatie eronder lijdt? Dat klopt, zegt Bogaert. „De vraag is dan: is die stress inherent, is het deel van iemand, of ondervindt iemand druk om seksueel actief te zijn van een partner of de maatschappij? En wie heeft dan de stoornis, is dat de aseksuele persoon zelf of de samenleving die iemand in een categorie duwt waar diegene niet in thuishoort?”

Dat is een stokpaardje van Bogaert: wie heeft hier eigenlijk een probleem? Vroeger werd het als een deugd gezien, zegt Bogaert, als mensen weinig (zin in) seks hadden. „In de laatste twintig, vijfentwintig jaar is dat omgekeerd.” Hij schreef dat al in 2006 in Review of General Psychology. „Tot op zekere hoogte zijn het vast willekeurige fluctuaties. Maar het heeft waarschijnlijk ook te maken met de quick-fix-mentaliteit in de huidige samenleving en onze medische kijk op het leven. Alles wat niet in overeenstemming is met de norm wordt gemedicaliseerd. Nu lijken we weer op weg naar een betere balans. Mede dankzij de wetenschappelijke artikelen die beschrijven dat aseksualiteit geen stoornis is maar een seksuele oriëntatie. Je hoeft niet alle variatie te zien als een potentieel probleem dat gerepareerd moet worden.”