‘Zolang er controverse is, is er leven’

De bekende muziekhistoricus was een week op tournee in Nederland. „Utopieën zijn gevaarlijk, ook in muziek.”

Scherp debater en groot historicus: Richard Taruskin in het Orgelpark in Amsterdam. Foto Roger Cremers

De wereldberoemde muziekhistoricus krijgt een koninklijke ontvangst. Richard Taruskin is deze week in het land en maakt een tournee langs wetenschappelijke en culturele instellingen onder de noemer ‘Catching up with Richard Taruskin’. Dinsdag was hij een middag op het Conservatorium van Amsterdam, in de afgeladen grote concertzaal van de school. Zelf hoefde de geleerde – ontvangen met ovationeel applaus – niet zoveel te doen of te zeggen. Hij kreeg vooral veel aangeboden: een muzikaal programma dat aansloot bij zijn interesses, zoals Russische volksliedjes gezongen door zangeres Elnara Shafigullina, die hem ook nog vriendelijk over zijn hoofd aaide („Wat een mooie man”). Het Amsterdam Corelli Collective speelde een orkestsonate op oude instrumenten. Twee jonge pianisten gaven een bewerking van de Sacre du Printemps van Stravinsky, waarnaar Taruskin baanbrekend onderzoek deed.

De wereld van de klassieke muziek is niet groot, maar in die wereld is hij een ster. Taruskin was dertig jaar lang hoogleraar aan de universiteit van Berkeley in San Francisco. Maar hij is veel breder bekend dan alleen in muziekwetenschappelijke kring, omdat hij tijdens zijn loopbaan veel heeft geschreven voor kranten en tijdschriften, waaronder The New York Times. Hij was de aanjager van uiteenlopende, vaak hoogoplopende debatten. Hij gooide een knuppel in het hoenderhoek van de oude muziek – muziek uitgevoerd op historische instrumenten en zo dicht mogelijk bij de historische bronnen – met een reeks stukken waarin hij de historische claims van toonaangevende dirigenten als Roger Norrington en Christopher Hogwood naar de prullenbak verwees. Feitelijk is het onmogelijk om te weten hoe muziek in het verleden heeft geklonken, musici houden zich ook vaak niet aan hun pretenties louter een historische reconstructie te geven; hun smaak speelt wel degelijk een rol. Bovendien is het ook helemaal niet zo belangrijk om de klanken van het verleden na te bootsen: veel belangrijker is het om muziek te maken die relevant is voor onze eigen tijd.

Dat is precies wat de musici van de oude muziek feitelijk doen, vindt Taruskin. Heel modern dus. Zijn polemische stukken, gebundeld in het boek Text and Act, bezorgden hem de reputatie van ‘grote boze wolf’ in de wereld van de oude muziek. Taruskin: „Mensen waren boos, omdat ze dachten dat ik aan hun broodwinning zat te morrelen. Maar het idee dat je de klank van het verleden kunt reconstrueren is een utopisch ideaal. Elk utopisch ideaal leidt tot intolerantie en autoritair gedrag. Daartegen kwam ik in verzet.” Inmiddels hoor je die term ‘authentiek’ niet zo veel meer.

Nog een grote controverse waarmee Taruskin is verbonden zijn de felle debatten over de vermeende memoires van de componist Dmitri Sjostakovitsj, uitgegeven door de naar het Westen gevluchte musicoloog Solomon Volkov. Taruskin – zijn specialisatie is Russische muziek – plaatste daar grote vraagtekens bij. De componist komt in het boek naar voren als een bittere criticus van het Sovjetregime. „Ik vond dat neerbuigend tegenover mensen die echt dissidenten waren geweest, en daar vaak ook de consequenties van hebben ondervonden. Sjostakovitsj is tot op het eind van zijn leven juist geëerd door de staat. De poging om hem af te schilderen als een dissident is propaganda uit de Koude Oorlog. Dat was waarschijnlijk de meest intense controverse waarbij ik betrokken ben geweest.”

Behalve een zeer scherp debater – „Mijn vader was advocaat, mijn zuster ook, ik heb daar misschien iets van meegekregen”– is Taruskin ook een buitengewoon begaafd historicus. In 2005 publiceerde hij zijn zesdelige Oxford History of Western Music – in de wandelgangen ‘The Ox’ genoemd – waarin hij in duizenden pagina’s de hele geschiedenis van de westerse muziek behandelt, van het eerste notenschrift tot nu; een unicum in een tijd van verregaande wetenschappelijke specialisatie.

Taruskin liep voorop in het openbreken van de musicologie van een wetenschap die zich alleen bezighield met tekstedities en tekstinterpretatie tot een vakgebied met oog voor de politieke en sociale context waarin muziek ontstaat. Volgens sommige critici is hij daarin doorgeschoten en ging de context de muziek zelf overwoekeren. „Maar bij mij is dat nooit of-of. Je kunt aandacht besteden aan de muziek zelf, en daar een technische analyse van geven. En je kunt ruim aandacht besteden aan de sociale en politieke context. Beide zijn volgens mij noodzakelijk. Alleen worden je boeken daar nogal dik door.”

Taruskin schrijft, zeker voor een academicus, met ongehoord veel passie en vuur. „Ik schrijf over de onderwerpen waar ik echt om geef. Ik geloof in wat Beethoven heeft geschreven in het manuscript van de Missa Solemnis: ‘Afkomstig uit het hart, moge het naar het hart gaan’. Bij mijn werk misschien naar het hart én het hoofd van de lezer.”

Toch beschouwt hij zichzelf niet als een soepele, gemakkelijke schrijver. „Als ik dat tegen mensen zeg, beginnen ze altijd te lachen, omdat ik zoveel heb geschreven. Maar dat is gewoon een kwestie van hard werken en doorzetten. Ik schreef de eerste zin van de Oxford History in de herfst van 1994 en de laatste zin aan het begin van 2001. En ik schreef elke dag. Ik bleef zitten tot ik een ruwe versie had van vijf pagina’s per dag, ongeveer 1.500 woorden. Ik mocht pas stoppen van mezelf als ik die vijf pagina’s had geschreven. Zo kun je veel schrijven.”

Taruskin is nog niet klaar met de polemiek. „Ik hou van het debat, ik hou van de controverse. Door een standpunt te verdedigen leer je een zaak te beargumenteren. Dat heeft me kracht gegeven als schrijver, en heeft mijn tegenstanders waarschijnlijk ook sterker gemaakt. Godzijdank zijn er nog controversen in de kunst. Als er geen controverse en debat meer zou zijn, zou ik me pas echt zorgen gaan maken.”