Van vrome vrouwen die de roede verdienden

In een briljante studie zijn alle volks- en kinderprenten uit de Nederlandse geschiedenis gerangschikt. Het boek geeft een zeldzaam heldere indruk van drie eeuwen grafische industrie, met al zijn (on)deugden.

‘Een Boom vol jonge Heeren, En Meisjes aan den voet, Die elk er een’ begeeren, houtsnede (ca. 1835) Uit besproken boek

De overheersende beeldcultuur van de nieuwe media en de zorg daarover in schriftculturele hoek doen soms vergeten dat in vorige eeuwen ook een bijzonder levendige, populaire beeldcultuur bestond. Al vanaf 1650 werd het volk op een ruime manier bediend in haar behoefte aan plaatjes. Gek genoeg heeft het lang geduurd voor er een boekwerk verscheen waarin die vloed aan houtsneden en steendrukken wordt beschreven. Dat is er nu. Nico Boerma, Aernout Borms, Alfons Thijs en Jo Thijssen publiceerden een turf van 1001 pagina’s die zo ongeveer alles over dit rijke onderwerp biedt: Kinderprenten, volksprenten, centsprenten, schoolprenten. Populaire grafiek in de Nederlanden 1650-1950.

Het gaat hier om op de voorzijde van één vel papier afgedrukte houtsneden, en later via steendruk vermenigvuldigde voorstellingen. Goedkoop verspreid: vandaar ‘centsprent’, al kostten ze vaak minder. Simpele plaatjes, niet zelden buiten de lijntjes ingekleurd, bedoeld ter lering of vermaak en vaak beide.

Hergebruik van beeldmateriaal hoefde niet op uitgeversscrupules te stuiten. Bij voorbeeld de ‘heldendaad’ van kannoneerbootje-kapitein Jan ‘dan liever de lucht in’ van Speijk (1831) werd door een vrijmoedige uitgever opgeluisterd met beelden van het exploderen in 1619 van schipper Bontekoe’s Oost-Indiëvaarder – boem is boem, nietwaar?

Minutieus

De vier auteurs van dit uitputtend overzichts- en naslagwerk omtrent populaire grafiek hebben met bijna negentiende-eeuwse grondigheid en allure álle drukkers/uitgevers van populaire prenten beschreven. Van Mindermann, Muys, Brepols, Hand, Kannewet, Kanjewiele en Noman en Noman & Zoon tot Hollingerius Pijpers, Bontamps, Hurez, een opsomming van 220 pagina’s. Dor? Niets is minder waar. We krijgen een zeldzaam heldere indruk van drie eeuwen grafische branche, met inbegrip van uitgeverij, boek- en kantoorboekhandel. De naslagwerkers onder ons worden daarbij op hun wenken bediend in de bijlagen (270 klein gedrukte bladzijden), waarin niet alleen álle bekende kinder- en volksprenten per drukker/uitgever zijn gerangschikt, maar ook op thema, zodat te zien is hoe populair een bepaald (al dan niet actueel) onderwerp was.

Los van de vele verspreide zwartwit-illustraties zijn dan ook nog eens 130 pagina’s ingeruimd voor kleurenweergave van een aantal typerende topstukken uit dit prentkunstgenre. Bijbelcentsprenten met een enkele voorstelling of een reeks daarvan, levenstrappen, vorstenkoppen, historieprenten, vrijer of vrijster aan de fruitboom (‘wie plukt wie?’), beelden uit Luilekkerland, ‘bedorven huishoudens’, snakenprenten. Fascinerend ook zijn de humoristische en satirische neuzenprenten. Het blijkt dat er heuse ‘neuzengildes’ hebben bestaan, feestverenigingen waarvan het lid met grootste gok de meeste contributie moest afdragen. Er is al een Duitse neuzenprent uit 1534, ‘Der Nasentanz zu Hümpelsbrunn’ – huppelboeren en een huppelboerin, allen met een forse snufferd rond een paal waaraan een neusfoedraal, een broek en een krans. Nederlandse neuzenprenten zijn er uit de achttiende eeuw, zoals ‘Het neuzengeslacht’ van drukker Noman te Utrecht.

Verlostang

Merkwaardigerwijs ontbreekt in de beschouwing van de heren samenstellers het fallisch aspect van het menselijk reukorgaan, terwijl dat in de neuzenprenten vast een (hoofd-)rol zal hebben gespeeld. Ik noem maar de roman van achttiende-eeuwer Laurence Sterne, waarin de jonge hoofdpersoon Tristram Shandy zijn ingedrukte neus dankt aan de verlostang van de vroedmeester, maar later zijn voortplantingsorgaantje door een vallend schuifraam aan de vensterbank verliest.

Op een zeldzame achttiende ‘snakenprent’ vinden we een zekere broeder Cornelis. Deze wordt in dit boek vakkundig teruggebracht tot de zestiende-eeuwse minderbroeder Cornelis Adriaensen te Brugge, een goeroe-achtige prediker die ter stede een klooster vol vrome vrouwen bestuurde, die hij ambtshalve soms met de roede op het blote lijf moest tuchtigen. Dat mag men snaaks noemen.

Een heerlijk ouderwets standaardwerk, dit boek van Boerma, Borms, Thijs en Thijssen. Het is een wonder dat het op papier is verschenen, in onze tijd van moderne media.