Onderken de zwakke basis van de euro

Versterk solidariteit in EU, geef jeugdwerklozen uitzicht; ‘t helpt de euro, aldus Arnoud W.A. Boot.

Wat ons bindt, scheidt ons. Je zou bijna religieus worden als je denkt aan de euro. Het introduceren van de euro is geen vrijblijvende keuze gebleken. Het creëert een grote onderlinge afhankelijkheid samen met een noodzaak van centrale sturing (Brussel) die op gespannen voet staan met de wens van de inwoners van lidstaten om een eigen bestuur en dus soevereiniteit te behouden. Ziehier het spanningsveld van de euro. Een mes op de keel zetten van lidstaten was in de paniek van 2012 mogelijk, maar zal uiteindelijk de wegen doen scheiden. Kiezers voor gedwongen feiten plaatsen, doet de democratische legitimatie geen goed.

De realiteit is dat er geen voorbeeld is van een muntunie die houdbaar is gebleken met een fundament dat lijkt op dat van de eurozone. Maar de euro bestaat en het politieke kapitaal erin is groot. De speelruimte is echter klein. Mijn boodschap is: onderken dat het fundament zwak is en blijft. Probeer dan ook langs vele wegen schokbestendigheid te verkrijgen in de eurozone. Maar maak niet de fout de effectiviteit van de maatregelen te overschatten. Werk ook aan de versterking van de onderlinge solidariteit in Europa. Toekomstige generaties bepalen hoe de verdere integratie verloopt en bepalen daarmee de houdbaarheid van de euro. Dit veronderstelt dat we de economische onevenwichtigheden die zich hebben gemanifesteerd, te boven komen.

De essentie is dat Europa niet de luxe van de VS heeft. Namelijk dat problemen in een afzonderlijke staat nooit twijfels doen rijzen over het intact blijven van het geheel. Zo kan Californië failliet gaan zonder dat iemand denkt dat de VS uit elkaar zullen vallen of dat Californië een eigen valuta zal invoeren. Deze vanzelfsprekendheid ontbreekt in de eurozone. Er is geen onvoorwaardelijke liefde. De politieke verhoudingen binnen de afzonderlijke lidstaten zullen belangrijk blijven. Hoe politiek de euro ook is, enige economische inzichten zijn nuttig. Economen wijzen meestal op de noodzaak dat er in een valutagebied aanpassingsmechanismen moeten zijn om schokken op te vangen. Zo is er in de VS een aanzienlijk federaal budget (Brussel heeft bijna niets). Ook is er in tegenstelling tot de eurozone een relatief grote arbeidsmobiliteit. Een onevenwichtige situatie met hoge werkloosheid in Zuid-Europa en lage in het noorden corrigeert zich dan. Voor het opvangen van bankproblemen zijn er federale vangnetten. Een situatie als in Ierland, waarbij de Ierse banken de staat omver konden trekken, kan zich dan niet voordoen.

De Amerikaanse ervaring met de federale vangnetten voor banken is een inspiratie geweest voor de EU-bankenunie. Hoe attractief het ook mag klinken dat banken scherper en objectiever vanuit Europa in de gaten worden gehouden, de democratische legitimatie zal ook de effectiviteit van de bankenunie beperkt houden.

Het bankwezen is diepgeworteld in lokale economieën. Het is dus niet mogelijk om de banken, of in bredere zin het financiële systeem, te zien als iets dat is los te koppelen van lokale invloedsferen of de lokale economie. Dit betekent dat bijvoorbeeld de Franse overheid invloed zal blijven uitoefenen op haar banken. Dit kan betekenen dat de Europese toezichthouder essentiële informatie wordt onthouden en problemen niet tijdig ziet aankomen, of dat noodzakelijke herstructureringen worden bemoeilijkt. Soevereine overheden hebben altijd nauwe verbindingen gehad met het financiële systeem. Een klinische scheiding tussen financiële sector en lokale overheid, zoals die voor Californië wel mogelijk is, is in de Europese context onrealistisch. Ook moet niet worden onderschat dat grote delen van het bankwezen sterk nationaal bepaald zullen blijven. Grensoverschrijdend bankieren, met uitzondering van pure zakenbankactiviteiten, kent geen groot succes.

Culturele verschillen tussen landen spelen hierbij een rol. Bovendien is een van de lessen uit de crisis juist dat het bankwezen lokale verankering behoeft. De keerzijde hiervan is dat het lokale ‘beïnvloedingsmogelijkheden’ – en dus ook een mogelijke ondermijning van het Europese toezicht – vergroot.

Deze opmerkingen zijn bedoeld als nuanceringen bij de effectiviteit van de bankenunie. Het zich blijven manifesteren van lidstaten, gebaseerd op culturele verschillen of anderszins, zet een rem op de effectiviteit van alle maatregelen die de houdbaarheid van de euro moeten vergroten.

Doorslaggevend voor eurozone blijft daarom het naar elkaar toegroeien van de lidstaten. Hiervoor is versterking van de onderlinge solidariteit nodig. Dit kan niet worden afgedwongen. Ingezet zou kunnen worden op maatregelen die kans hebben op een democratisch mandaat, en die de solidariteit tussen lidstaten én de schokbestendigheid vergroten.

Specifieke Europese projecten op het gebied van bijvoorbeeld onderwijs en bestrijding van jeugdwerkloosheid zouden hieraan kunnen voldoen. Uiteindelijk vergt de houdbaarheid van de euro een groter gevoel van onderlinge solidariteit en schokbestendigheid.