Niet alleen kommer en kwel

Deze week verscheen het boek Ridders in de Bijlmer, over een stadsdeel met een rijkere en langere historie dan je wellicht zou denken. En over de Bijlmer die nooit klaar is.

Bijlmerflats: hoogbouw van ongeveer 33 meter hoog in schijven en ‘geknikte linten’ die samen de honingraatstructuur opleverden waar de Bijlmer beroemd mee werd. Een groot deel is later weer gesloopt. Foto ANP Archief

Garages ‘zo onherbergzaam als een woestijn’, te grote loopafstand van lift naar parkeergarage, vuilnis op straat, slechte verbinding met de binnenstad. Het zijn slechts enkele van de problemen waarmee de grootste tekentafelwijk uit de Nederlandse geschiedenis, de Bijlmer, vanaf de eerste sleuteloverhandiging in 1968 te maken kreeg.

De hoog- en laagbouw in de wijk kreeg door de vele gebreken te maken met grootschalige leegstand. Het project, dat het mogelijk moest maken ruim te wonen in de stad, omgeven door veel groen, was volgens sommigen gedoemd te mislukken. „Nooit eerder in de Nederlandse geschiedenis”, stelde architect Rem Koolhaas, „is geprobeerd 50.000 mensen gelukkig te maken met een stedelijk leven verschraald tot wandelen, pootjebaden, vissen en spelen.”

Inmiddels is de Bijlmer door grootschalige sloop en sociale en ruimtelijke vernieuwing aan de beterende hand. Trein- en metronetwerk, bioscoop, theater, winkelcentrum, sportvoorzieningen: ze ontbraken in het begin, maar zijn inmiddels ruimschoots aanwezig. Het stadsdeel rijst, zo schrijft stedenbouwkundige Evert van Voskuilen (1948) in zijn deze week verschenen, in opdracht van stadsdeel Zuidoost geschreven boek Ridders in de Bijlmer „als een feniks uit zijn as”. Dat is natuurlijk te hopen voor het gebied dat, zo blijkt, al 800 jaar met tegenslagen te maken heeft.

Die tegenslagen vonden vooral plaats op het gebied van waterbestrijding. Al eeuwen voordat de ‘Bylemer Meer’ in 1159 als middelgrote plas voor het eerst werd vermeld in een oorkonde, waren boeren uit het Kennemerland, het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug mondjesmaat bezig het drassige veengrond rondom om het meer te ontginnen. De grootschalige omzetting van veengrond naar land waar akkerbouw en veeteelt op kon plaatsvonden was eind 11de eeuw, toen de bisschop van Utrecht zich over deze ‘buffer tussen het bisdom Utrecht en graafschap Holland’ ging ontfermen.

Allerheiligenvloed

Maar net als de vele andere droogleggingen die het gebied zou meemaken, werden deze initiatieven vrij snel teniet gedaan. De Allerheiligenvloed in 1170 zorgde ervoor dat grote delen weer onder water kwamen te staan. De eerste grootschalige drooglegging van het gebied, die in de vroeg 17de eeuw kon plaatsvinden dankzij innovatie op het gebied van watermanagement (windmolens), werd deels tenietgedaan door verschillende dijkbreuken. De absolute doodsteek voor het gebied kwam in 1672, toen het Amsterdamse stadsbestuur door de inval van de Fransen zich gedwongen voelde het gehele gebied onder water te zetten. Uiteindelijk zou het gebied pas 200 jaar na de Eerste Drooglegging weer geheel droog komen te liggen.

Het was (en is) niet allemaal kommer en kwel in de Bijlmermeer. Zo verwijst de titel naar de ridders die in het (begin 15de eeuw gekapte) Reigersbos op reigers jaagden – de vogel gold als Middeleeuwse lekkernij. Ook was het gebied in trek bij rijke Amsterdamse patriciërs die er, net als aan de Vecht en Amstel, buitenhuizen lieten bouwen. En ook tegenwoordig zijn er hoopvolle ontwikkelingen, zoals het ruime aanbod van (eengezins)woningen en het succes van nieuwe initiatieven als winkelcentrum ArenA Poort en de Ziggo Dome.

Maar: het stadsdeel kampt ook nog steeds met flinke problemen, zoals de relatief hoge criminaliteit in Zuidoost, de nog altijd slechte naam die het heeft en bijvoorbeeld de leegstand in een voormalig vlaggeschip als de Villa Arena. De Bijlmer is nooit klaar. Dat wijst het verleden wel uit.