Meten is maar heel klein beetje weten

Meten is weten, zegt iedereen altijd met zo’n vanzelfsprekend gezicht. Honderdduizend keer worden we met cijfers om de oren geslagen en toch blijft het een feit: meten is niet hetzelfde als weten.

Laatst fietste ik naar huis. Vier graden zei mijn fiets dat het was (ik heb zo’n fiets die allerlei informaties verstrekt). In het dorp waarvandaan ik vertrok leek het niet zulk slecht weer, maar zodra de laatste huizen gepasseerd waren, woei er een harde wind. Zoals gebruikelijk in Noord-Groningen. Even later begon het ook nog te regenen, van die regen met ijspuntjes erin. Ai, hoe koud. Maar nog weer een poosje later hield de regen op en fietste ik in de luwte van een houtwal – het ging best. Al die tijd zei mijn fiets: vier graden. De thermometer zal gelijk hebben gehad, maar hij zei niets over hoe het was. Hoe een tuttig woord ‘gevoelstemperatuur’ ook is, het drukt wel een waarheid uit.

In de Carthagobijlage van De Groene schreef archeoloog Roald Docter een stuk over de discrepantie die er soms bestaat tussen informatie opgedaan uit archeologisch onderzoek en wat men weet op grond van historische bronnen. Als illustratief voorbeeld noemde hij een onderzoek gedaan in de jaren ’80 van de vorige eeuw, waarin Amerikaanse archeologen het huisafval van een grote groep huishoudens onderzochten. Tegelijkertijd werden de mensen ondervraagd over hun gewoontes. Men dacht véél gezonder te eten dan uit het onderzoek van het afval bleek, soms werd de consumptie van prijzenswaardige voedingsmiddelen als groentesoep en kwark tot meer dan 300 procent overschat. Maar dan moet je als historicus niet denken: ‘het is wel duidelijk’, schreef Docter. Want weliswaar weet je uit het archeologisch materiaal dat de mensen anders rapporteren dan ze handelen, maar uit de enquêtes ben je wel te weten gekomen wat ze belangrijk en nastrevenswaardig vinden, welke levensstijl in hun maatschappij de beste wordt gevonden. Zonder de beleving van de mensen weet je nog maar weinig. Het was een interessant stuk. Ik dacht meteen aan de breinonderzoekers die zo blij roepen dat wij ons brein zijn omdat ze op hun meetinstrumenten kunnen zien dat bepaalde gebieden in het brein verhoogde activiteit vertonen bij angst of opwinding of plezier. Het kan nuttig en waardevol zijn om zulke dingen vast te kunnen stellen, bij voorbeeld bij de behandeling van psychiatrische patiënten.

Maar het zegt maar weinig over hoe iemand zich voelt. Onbestemde angst en zenuwachtigheid voor allerlei gewone dingen, gepieker, een andere kijk op de wereld voortgekomen uit een angstige ervaring – dat is allemaal niet te meten. De neuro-onderzoekers zijn als de archeologen die moeten vaststellen dat de historische bronnen anders rapporteren dan zij op grond van hun waarnemingen zouden verwachten. En dat hun antwoord niet kan zijn: maar wij zien de waarheid en de rest niet.

Het geldt voor het hele leven. Meten is maar heel beperkt weten. Wie meet zet het leven om in impulsen, cijfers, temperaturen enzovoort. In meetbare eenheden. Dat kan enorm nuttig zijn. Maar die eenheden zijn niet de totale ervaring. Geld is niet hetzelfde als het geluk van een wandeling door stille weilanden. Graden zeggen niets over behaaglijkheid. Het aantal afgestudeerden informeert ons niet bepaald volledig over de kwaliteit van een studie. En soms spreken metingen en beleving elkaar regelrecht tegen. Neuro-onderzoekers hebben gevonden dat wij beslissingen vaak al genomen hebben voor we weten waarom. Maar dat betekent niet dat al die weken, soms maanden, van afwegingen en gepieker voor er een knoop wordt doorgehakt er eigenlijk niet toe doen. Wij zijn niet ons brein. Wij zijn onze ervaring.