Het door-de-mand-val-syndroom

Iemand zei: „Wat zie je er mooi uit vandaag.” In mijn hoofd begonnen die woorden te draaien: Wat zie je er mooi uit, vandaag. Vandaag zie je er wel redelijk uit.

Normaal ben je lelijk.

Over je innerlijk valt nu eenmaal helemaal niets aardigs te verzinnen.

Ik liep met een vriend over straat; we hadden samen op een podium gestaan en mijmerden over de bittere kant van aandacht. Omdat de nacht geen tijd is voor bescheidenheid en de straten nagenoeg verlaten waren, durfden we hardop te klagen hoe erg dat is: een compliment krijgen. Minder erg dan géén complimenten krijgen, stelden we toegeeflijk vast. Maar verder? Mijn vriend zei dat hij altijd onzeker wordt van lof. „Ik heb meestal het idee dat ik in de maling word genomen.” Hij vroeg zich af of hij soms te wantrouwend was. Of te perfectionistisch: „Ik denk altijd: maar het kan beter!”

Hij lijdt aan het zogeheten Impostor Syndrome, welbekend op Wikipedia en nog net officieel opgenomen in het DSM handboek. Bij dezen gedoopt als het door-de-mand-val-syndroom.

Je leest er tegenwoordig vaker over, vooral in verband gebracht met – de blijkbaar algemeen aangenomen – onzekerheid van vrouwen op de werkvloer. Mijn vriend is geen vrouw. Wel is hij romancier; misschien heeft het daar iets mee van doen. Toch is het vreemd dat iemand die fictie schrijft en welbewust verzinsels schept, bang is om te worden ontmaskerd.

Ik denk altijd maar: onder elk mandje dat breekt zit wel weer een nieuwe, vangende mand.

Want wat houden we elkaar voor, anders dan leugens? Het uiterlijk dat mooi gevonden wordt is daar speciaal voor klaargemaakt. Het werk waarvoor we waardering wensen heeft die waardering nodig om te kunnen voortbestaan (tenzij je dusdanig in een baan bent genesteld dat het meer moeite kost je weg te krijgen dan te houden). Zelfs smaak is bedrog: zonder kleurstoffen proef je niet eens dat iets lekker is.

Uiteindelijk is elk woord dat iemand je geeft al eens uitgesproken of opgeschreven. Het stemt dus hoopvoller om te denken dat die woorden je nooit helemaal definiëren en dat je deels een geheim bent; alleen dan ben je uniek. Misschien is dat nog het belangrijkst: dat je het idee moet houden dat er behalve die leugens/complimenten nog een kern zit. Een deel ‘ik’ dat helemaal van jezelf en jezelf alleen is. Een deel dat de buitenwereld - een buitenwereld vol manipulatie - niet kan grijpen. Een ‘ik’ die los van de complimenten bestaat. Een ‘ik’ die niet compleet te kennen is.

Daarom moet je het positiever zien: het ‘vandaag’ in ‘Wat zie je er mooi uit vandaag’, is de brandstof om morgen ook iemand te zijn.