Flavische keizers: één stuk, drie bedrijven

Na de dood van Nero werd het Romeinse rijk geregeerd door drie keizers uit het Flavische huis. Hun successen en wreedheden worden door historicus Van Hooff genuanceerd en ontdaan van morele oordelen.

De triomf van Titus, een schilderij uit 1885 van Sir Lawrence Alma-Tadema (1836-1912) In privé-collectie

De opstand der Bataven, de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, de uitbarsting van de Vesuvius en de bouw van het Colosseum. Al deze memorabele gebeurtenissen hadden plaats tussen 69 en 96 na Christus, toen in Rome de keizers uit het Flavische huis regeerden. Een burgeroorlog na de dood van Nero had de gelouterde generaal Flavius Vespasianus op de troon gebracht, en na diens dood in 79 regeerden zijn zoons Titus (79-81) en Domitianus (81-96). De eerste twee Flaviërs gingen de geschiedenis in als ‘goede’ keizers, de laatste werd meteen na zijn dood verketterd en heeft lang bekend gestaan als een machtswellusteling, een incestpleger en een wreedaard; niet voor niets was zijn bijnaam ‘de kale Nero’.

Het is de verdienste van Anton van Hooff, classicus en auteur van onder meer Nero & Seneca (2010), dat dit klassieke beeld nu ook in Nederland genuanceerd wordt. Behalve een capabel heerser was Vespasianus een meedogenloos veldheer en een ongelooflijke schriep; zijn beruchte belasting op openbare latrines (‘Geld stinkt niet’) is maar een van de vele voorbeelden van zijn obsessie met geld.

Titus regeerde zó kort dat je eigenlijk niet kunt bepalen of hij een goede keizer was, terwijl hij in een vorig leven, als bedwinger van de Joodse Opstand, verantwoordelijk was voor een genocide in Judaea. En Domitianus had sadistische en despotische trekjes, maar was ook een actief veldheer aan de grenzen van het Rijk, verbood het castreren van jongens en het bloederige offeren van runderen, zag toe op rechtvaardig bestuur in de provincies, zette Rome vol met imposante en nuttige bouwwerken en betoonde zich als beschermheer van de kunsten een tweede Maecenas.

Slijmjurken

In Keizers van het Colosseum – genoemd naar het kolossale amfitheater dat door Vespasianus werd begonnen, door Titus gewijd en door Domitianus afgemaakt – onderstreept Van Hooff dat ons beeld van de Flaviërs bepaald wordt door de Romeinse geschiedschrijving, die de keizers rigoureus categoriseerde als goed óf slecht. Hij laat zien hoe historici als Suetonius en Tacitus – en ook ‘gewone’ literatoren als Plinius de Jongere – in het gevlij probeerden te komen bij keizer Trajanus (98-117) door af te geven op zijn infame voorganger, tegen wie ze zich twintig jaar eerder niet hadden durven verzetten. Onder de slijmjurken was ook de dichter Martialis, die wij kennen als een scherp en geestig satiricus van de (seksuele) zeden, maar die getuige de door Van Hooff gekozen citaten vooral het hielenlikken tot kunst verhief.

Van Hooff vertelt het succesverhaal van de Flavische keizers (‘één stuk, drie bedrijven’) niet chronologisch maar thematisch. Er zijn hoofdstukken over de manier waarop Vespasianus, Titus en Domitianus keizer werden, over hun militaire verworvenheden, over hun omgang met de senaat en het volk van Rome, over hun verhouding tot de kunsten en over de manier waarop hun dood (Vespasianus: ‘Ik geloof dat ik een god begin te worden’) hun positieve of negatieve imago versterkte.

Bonus

Die methode is origineel en soms verhelderend, maar zorgt er ook voor dat je om de haverklap geconfronteerd wordt met dingen die je al gelezen hebt of met verwijzingen naar andere bladzijden. Dat maakt het boek minder leesbaar dan een geschiedenis die de gebeurtenissen van jaar na jaar beschrijft – en dat geldt ook voor Van Hooffs gewoonte om bruusk te schakelen van citeren naar parafraseren van zijn bronnen.

Keizers van het Colosseum is een fijn boek voor iedereen die geïnteresseerd is in de Romeinse keizers en enigszins is uitgekeken op de veelbezongen eerste vijf (Augustus. Tiberius, Caligula, Claudius, Nero). Als bonus biedt Van Hooff niet alleen lezenswaardige uitweidingen over de Joodse Oorlog, de Bataafse Opstand, de gladiatorenspelen en de ondergang van Pompeii en Herculaneum, maar ook tal van verrassende anekdotes. Ik wist niet dat Domitianus de eerste westerse vorst was met een troonzaal en evenmin dat historici eigenlijk niet weten of de ‘gekeerde duim’ van de keizer na een gladiatorengevecht naar boven of naar beneden gericht was.

Nog intrigerender is ‘een haast modern verschijnsel uit Domitianus’ tijd dat Van Hooff in het werk van de geschiedschrijver Cassius Dio is tegengekomen: terroristen die ‘in de hele wereld’ vergiftigde naalden in onschuldige slachtoffers staken. Jammer genoeg vertelt noch Dio noch Van Hooff wie deze protosadisten waren, laat staan wat voor motieven ze hadden.