Als je Ankara’s arm vreest, laat oppositie dan met rust

Onder de organisaties die Asscher monitort, huist de Gülenbeweging. Daarop opende Erdogan juist een heksenjacht, schrijft Alper Alasag.

Verwarring alom toen Kuzu en Öztürk de PvdA-fractie verlieten. Afgezet of opgestapt? Deden zij aan cliëntelisme of kwamen ze net als andere politici op voor hun achterban? Eén vermoeden overheerste: Ankara’s arm reikt tot in Nederland. Maar ook daar is wat op af te dingen.

Turkije onderging de laatste jaren een metamorfose. Van een opbloeiende democratie is geen sprake meer. Het land glijdt af naar een autoritaire eenpartijstaat of zelfs een eenpersoonsstaat. De hoofdrolspeler: Recep Tayyip Erdogan.

Nederland maakt zich zorgen. Vooral als het aankomt op inmenging van de Turkse overheid in Nederlandse aangelegenheden. Enkele incidenten van de afgelopen jaren: de kwestie-Yunus (bemoeienis Erdogan met een Turks pleegkind dat hier opgevoed wordt door een lesbisch stel) en de demonstratie tegen het Armeense genocidemonument in Almelo.

Mede hierom besloot minister Asscher (Integratie, PvdA) de vermeende ‘lange arm’ te controleren. Hij kondigde aan de vier grootste Turkse stromingen in Nederland te monitoren – Diyanet, Milli Görüs, Süleymanci en de Fethullah Gülenbeweging. Dit ging Kuzu en Öztürk te ver. Naar hun mening pakte de minister een probleem aan dat er niet is. Aan de andere kant: er is wel degelijk voedingsbodem voor een lange arm, want driekwart van de Turks-Nederlandse kiesgerechtigden koos voor Erdogan bij de laatste presidentsverkiezingen.

Naast Kuzu en Öztürk, liet ook de Turkse regering zich niet onbetuigd. De minister van Buitenlandse Zaken, Mevlüt Cavusoglu, kwalificeerde de houding tegenover de Turkse gemeenschap als „racistisch” – maar zwakte dat later af. Hij wenste slechts een actievere rol in de integratie.

Nu schokt Turkije met arrestaties van journalisten – een jaar nadat er een corruptieschandaal in de regering van Erdogan werd blootgelegd. Vooral de aan de Gülenbeweging gelieerde media zijn het haasje. Erdogan zou – volgens de Turkse ‘Snowden’ Fuat Avni – opdracht hebben gegeven 400 mensen, waaronder 147 journalisten, in te rekenen. „Wij accepteren geen dictatuur zonder persvrijheid”, scandeerden betogers.

In 2013 voegde Erdogan al eens de daad bij het woord met zijn aanpak van betogers in het Gezipark in Istanbul. In heel het land volgden harde confrontaties tussen demonstranten en oproerpolitie, waarbij doden en vele gewonden vielen. Onlangs kondigde de regering een verbod op berichtgeving over corruptie af.

Reden tot zorg, inderdaad. Maar de ironie wil dat onder de organisaties die Asscher wil monitoren ook Erdogans vijanden zitten: namelijk de Gülenbeweging. „Als het aanpakken van deze landverraders een heksenjacht genoemd wordt, dan voeren wij inderdaad een heksenjacht uit”, zei Erdogan daar eerder over. “Dat kan ik jullie verzekeren.” Zoals gebruikelijk bij een heksenjacht, riep hij burgers op sympathisanten aan te geven.

De heksenjacht toont dat Ankara vastbesloten is de Gülenbeweging te verdelgen. De gedachte dat de Gülenbeweging in Nederland een verlengstuk van Ankara zou zijn, is dus op zijn zachtst dus onzin.