Alles, alles zou poëzie moeten zijn

Geen warmer pleidooi voor romantische poëzie in leven en samenleving dan dat van Friedrich Schlegel. Geen invloedrijker literair tijdschrift dan zijn Athenaeum.

Friedrich Schlegel, in 1801 geportretteerd door Franz Gareis (1775-1803)

Athenaeum is waarschijnlijk het invloedrijkste literaire tijdschrift dat ooit heeft bestaan, hoewel er maar zes afleveringen van verschenen en het niet veel lezers trok. In 1798 werd het opgericht door de gebroeders August Wilhelm (1767-1845) en Friedrich Schlegel (1772-1829), twee auteurs die erop uit waren de nieuwe ‘kritische dictators van Duitsland’ te worden. Dat laatste is nooit gelukt, maar in hun tijdschrift kwamen ze wel met een nieuwe poëtica waarvan grote delen nog altijd geldig zijn. Met slechts geringe overdrijving kun je zeggen, dat in Athenaeum (dat in 1800 alweer ter ziele ging) de moderne literatuur is uitgevonden.

Dat literatuur autonoom is, kritisch, non-conformistisch, grensverleggend, zelfs ‘revolutionair’, en dat zij met haar ernstige spel de wereld kan veranderen – de Schlegels hebben het weliswaar niet verzonnen, maar zij brengen het wel voor het eerst bijeen in een coherente theorie. En dankzij hen werd de nieuwe literatuur gekoppeld aan het woord ‘romantisch’. Niet dat zij zichzelf al romantici noemden, dat hebben eerst hun tegenstanders gedaan en daarna de literatuurhistorici, maar als zij het over een nieuwe literatuur hadden dan spraken zij over ‘romantische poëzie’.

In het beroemdste Athenaeum-fragment (nr. 116) wordt die romantische poëzie gedefinieerd als een ‘progressieve universele poëzie’. Dat wijst in een heel andere richting dan de gebruikelijke associaties (Middeleeuwen, nationalisme, nostalgie, etc.) die het woord romantiek oproept. Hoewel Dante, Cervantes en Shakespeare voor de Schlegels de grootste romantici waren, bleek de ‘romantische poëzie’ zoals gedefinieerd in het zojuist geciteerde fragment niet zozeer een zaak van het verleden als wel van de toekomst. Een nieuwe wereld ging voor de literatuur open.

Dat was vooral de verdienste van de jongste broer, Friedrich. Het is dan ook terecht dat de nu vertaalde teksten uit Athenaeum allemaal van hem afkomstig zijn. Hij was de origineelste geest van het tweetal, en ook de meest ‘romantische’ in de gangbare betekenis van het woord. In zijn jonge jaren leed hij aan Weltschmerz, dacht soms aan zelfmoord en vergeleek zichzelf met Hamlet, de eeuwige twijfelaar. Tegen de tijd dat hij, 26 jaar oud, samen met zijn vier jaar oudere broer Atheneaum oprichtte, lag al die ellende weer achter hem. Hij had zich ontwikkeld tot een groot kenner van de antieke Griekse poëzie, en hij zou de belangrijkste theoreticus worden van de moderne romantische literatuur.

Malaise

Tegenwoordig hangt er om het woord ‘literatuur’ een sfeer van malaise, ontlezing, sluitende boekhandels. Eind achttiende eeuw, toen nog maar een kwart van de bevolking kon lezen, was de situatie objectief nauwelijks gunstiger – maar wat een verschil in elan en geestdrift. De Schlegels en hun vrienden, onder wie de dichter Friedrich von Hardenberg (beter bekend als Novalis), de romanschrijver Ludwig Tieck, de theoloog Friedrich Schleiermacher, en niet te vergeten hun beider vrouwen Caroline en Dorothea, waren ervan overtuigd in een opwindende overgangstijd te leven. De Franse Revolutie was nog maar net achter de rug, een nog veel grotere omwenteling stond voor de deur.

In het ‘Gesprek over de poëzie’ schrijft Schlegel dat de mensheid de keuze had om ten onder te gaan of zich te verjongen. Uiteraard koos hij zelf voor het laatste. De mensheid was bezig om weer haar ‘centrum’ te ontdekken, dat wil zeggen: een zinvolle bezieling te ontwikkelen, na een eeuw van verlichte afbraak en kritiek. Daarbij is geregeld sprake van God en van religie. Later – in 1808 – zou Schlegel zich samen met zijn Dorothea tot het katholicisme bekeren. Maar daarvan is in de Athenaeum-tijd nog geen sprake. Het verlichte denken had ook bij deze vroege romantici zijn sporen nagelaten: God en religie waren voor hen zaken die de mens zelf moest creëren. Een ander woord voor creatie is: poëzie. Wanneer Friedrich Schlegel het over romantische poëzie heeft, moeten we niet uitsluitend aan verzen of literatuur denken. In het ‘Gesprek over de poëzie’ spreekt hij ook over ‘een vormloze en onbewuste poëzie die omhoogschiet in planten, die straalt in het licht, die lacht in een kind, die schemert in de bloei van de jeugd en die gloeit in de liefdevolle boezem van vrouwen’. Zonder deze ‘oorspronkelijke’ poëzie zou er geen ‘poëzie van woorden’ bestaan, aldus Schlegel.

Ook in het Athenaeum-fragment over de ‘progressieve universele poëzie’ worden de grenzen van de literatuur ruimschoots overschreden, en verlangt Schlegel van de romantische poëzie onder meer dat zij ‘de poëzie levend en maatschappelijk [zal] maken’ en ‘het leven en de maatschappij poëtisch’. Het is dus nog niet zo gek dat iemand in het ‘Gesprek’ op zeker moment vraagt: ‘Is dan alles poëzie?’.

Het antwoord dat uit Athenaeum oprijst, luidt: alles zou poëzie moeten zijn, en is het ook in wezen, want de creativiteit van de aarde (‘het ene gedicht van de godheid’) werkt overal. In ieder mens schuilt een dichter, en de mensheid als geheel heeft tot roeping de aarde en zichzelf te cultiveren in een nimmer eindigende Bildung. De geschreven poëzie is van die alomtegenwoordige creativiteit slechts een geconcentreerde versie. Wat niet wil zeggen dat zij onbelangrijk zou zijn; in de cultuurgeschiedenis speelde ‘menig boekje’ de verborgen hoofdrol, schrijft Schlegel in een ander beroemd fragment, waarin behalve de Franse Revolutie ook Fichtes Wissenschaftslehre en Goethes Wilhelm Meister worden uitgeroepen tot ‘de grootste tendensen van dit tijdperk’.

Onbereikbaarheid

Aan ambitie en pretentie ontbrak het deze vroege romantici niet. Maar wat hen vooral zo interessant maakt, is dat zij tegelijkertijd doordrongen waren van de onbereikbaarheid van hun grootse idealen – zonder dat dit afbreuk deed aan hun elan en hun enthousiasme, aan hun verlangen naar het ‘oneindige’ en het ‘absolute’. De modernste aspecten van hun schrijven en denken vloeien voort uit deze paradox: hun keuze voor het fragment (omdat de werkelijkheid nooit in een ‘systeem’ kon worden gevangen), hun voorkeur voor het gesprek (om zoveel mogelijk verschillende perspectieven aan bod te laten komen), hun waardering van de ironie (omdat de absolute waarheid voor de mens onkenbaar bleef) en hun merkwaardige cultus van de onbegrijpelijkheid.

Vanwege zijn soms wat cryptische formuleringen had Friedrich Schlegel de naam onbegrijpelijk te schrijven. In het laatste essay in Athenaeum speelt hij daarmee een ironisch spel. Zijn verlichte tegenstanders houdt hij voor: ‘De angst zou jullie werkelijk om het hart slaan wanneer, zoals jullie eisen, de wereld in alle ernst geheel begrijpelijk zou worden’. Juist dat niet alles kon worden begrepen, was een zegen. Verstand en verbeelding bleven er wakker door en alert. Volmaakt begrip zou dodelijk zijn voor het denken. Om dezelfde reden vond Schlegel het helemaal geen bezwaar dat de progressieve romantische poëzie nimmer voltooid raakte, maar bleef steken in een permanent ‘worden’. Literatuur, creatie, was altijd work in progress, en dus nooit af. Precies daarin zat de zin ervan.

In het ‘Gesprek over de poëzie’ houdt een van de sprekers een pleidooi voor een ‘nieuwe mythologie’ – niet om voor eens en voor altijd de waarheid vast te leggen, maar om alle individuele creativiteit een collectief verband te verschaffen. Om die creativiteit draait het. Creativiteit als ‘een zinvol spel, op weg naar een onbereikbaar doel’, zoals Pauline Kintz het in haar nawoord treffend omschrijft. Het is nog altijd een feest voor de geest om Friedrich Schlegel dit alles op papier, in talloze fragmenten, in essays, beschouwingen en dialogen te zien uitdokteren - dankzij de alleszins leesbare vertaling van Jan Sietsma nu ook in het Nederlands.