2014, het jaar van het nieuwe begin

Dode dichters, desintegrerende uitgeverijen, failliete winkels – maar toch: er gebeurt iets in de letteren. Iets opwindends.

O p 3 november stond er ineens een gedichtje van Leo Vroman op de poëziescheurkalender. Het heette ‘De diepe betekenis’:

Ik sta wankelend aan de rand

van de Ware Diepe Betekenis

te staren of er een teken is

van de rare overkant,

en voel in mijn voeten de weeë lust

om die luchtzee maar in te springen.

De plons. De spreidende ringen.

Maar dit is geen kust.

Het is weer maandag vandaag.

We hebben het bed afgehaald,

weer een zakdoekje gevonden,

ik vraag ‘Koffie?’ zij zegt weer ‘Graag’,

en ik denk weer: ‘Dit is bepaald

alweer niet mijn laatste seconde.’

Tja. Bepaald alweer niet mijn laatste seconde, maar terwijl het Vromangedichtje tien maanden op zijn five minutes of fame aan de wc-muur hing te wachten, brak op 22 februari in Texas toch het laatste ogenblik van de 98-jarige dichter aan. Gerrit Kouwenaar (1923) stond op 14 september op de kalender, drie dagen na zijn begrafenis. De slotregels van ‘Plaatselijke tijd’:

de zomer rilt al van de herfst

de nacht bestaat wat niet beweegt

de luchtbrug is met vilt bekleed

muisstil de kleine uil vervliegt –

En eergisteren nog keken de kalme letters van ‘Onze verwachtingen’ ons aan, een mooi gedicht van de eind maart plotseling gestorven Erik Menkveld (1954) – want sterfelijkheid begint helaas niet bij negentig. En dat waren alleen nog maar de dichters die bij de Grote Bloemlezer werden geroepen. In Mexico voltrok zich in het voorjaar de al vele malen per abuis aangekondigde dood van Gabriel García Márquez en in Amsterdam overleed Hugo Brandt Corstius, al verwacht ik van hem nog steeds een beetje dat hij onder een geheel vers pseudoniem springlevend schaterlachend het literaire toneel weer betreedt.

Slechter nog dan de schrijvers verging het de boekenbedrijven, die ook dit jaar weer tussen de vijf en tien procent omzet inleverden. Nog voor de eerste krokussen hun kopjes boven de grond hadden gewaagd, lag boekhandelsketen Polare al knock-out op de rug. Dat was het gevolg van een cocktail van mismanagement, hebzucht en analfabetisme die zelfs de oppervlakkigste thrilleruitgeverij van Nederland als volslagen onrealistisch had weggelachen. Intussen probeerde de Weekbladpers Groep, gejaagd door de bank, het wereldrecord achteruitstruikelen te verbeteren. Met een vermogen tot zelfverminking dat doet denken aan het oude PCM verloor het concern een reeks grachtenpanden (waaronder het legendarische Singel 262), vrouwenblad Opzij en de uitgeverijen Querido, De Arbeiderspers, Nijgh & Van Ditmar en Athenaeum.

Intussen pakten twee van de beste uitgevers hun biezen (Nelleke Geel en Harold Polis) terwijl hun oud-collega Robbert Ammerlaan met uitgeverij Hollands Diep een nieuw warm nestje bouwde. Dat lijkt speciaal ontworpen voor eenzame auteurs van De Bezige Bij, al waagde tot nu toe alleen Paul Baeten Gronda de overstap.

De Bezige Bij hengelde gewoon het boek van het jaar binnen, al trok het aas hard aan de dobber. Volgens de (achter het net vissende, dus geloof ze niet) concurrenten betaalde de Bij voor Kapitaal in de 21ste eeuw een bedrag dat normaal gesproken alleen voor pornotrilogieën wordt opgehoest. Piketty is geen porno, verkoopt ook niet als porno, maar werd wel met rode oortjes gelezen, nu ja , gekocht. De baksteendikke ongelijkheidsanalyse is de highbrow-bestseller van het jaar.

Nu is het ook voor de literatuurliefhebber verplicht leesvoer. In eerste instantie wegens de prompte analyses die Piketty van het werk van Honoré de Balzac en Jane Austen geeft in zijn boek. De negentiende-eeuwse grootheden komen er vaker in voor dan Keynes, Hayek en Marx bij elkaar. Eigenlijk zouden de uitgevers van Balzac en Austen stickers moeten laten maken met de opdruk ‘Gelezen bij Piketty’, waarmee Vader Goriot en Pride and prejudice een tweede leven kunnen krijgen als literaire herontdekkingen.

Piketty maakt vooral gebruik van de literatoren om de diepgewortelde ongelijkheid van de negentiende eeuw inzichtelijk te maken: zo toont hij dat als bij Balzac een personage aan de bedelstaf raakt, dit eigenlijk wordt teruggeworpen op het gemiddelde inkomen uit Balzacs tijd. De negentiende-eeuwse literatoren tonen ‘een klassieke, op vermogen gebaseerde samenleving’. Die levert mooie boeken op, maar het leeft wat lastig. De econoom vreest dat dat het voorland van de West-Europese maatschappij zal blijken te zijn; daar waar bezit structureel meer oplevert dan arbeid.

Je kunt die gedachte ook zo op de Nederlandse boekenmarkt plakken. Niet alleen omdat de grootste bestsellers vaak de boeken met de hoogste voorschotten waren (zie Piketty zelf), maar ook omdat vooral literaire uitgeverijen steeds meer de aandacht trekken van vermogende mannen, die investeren in literatuur zien als een mooie afwisseling op een goed doel. Drie weken geleden lieten Toef Jaeger en Hanneke Chin-A-Fo in deze bijlage zien hoe mecenassen een grotere rol spelen, met name bij Nieuw Amsterdam/Wereldbibliotheek en de met Querido van de WPG afgescheiden uitgevers. Zij kunnen bedrijven door de crisis relatief goedkoop overnemen en beloven geen al te hoge rendementen te eisen.

Dat is fijn, zoals de door de slechte verkopen aangejaagde schaalverkleining in het algemeen goed nieuws is – maar het zou geruststellender zijn wanneer een bedrijf zich staande houdt door de zelf behaalde winst – en geen beroep hoeft te doen op de diepe zakken van welwillende weldoeners. (Arbeid vóór kapitaal. Zo ziet Piketty het ook het liefst).

Van Oorschot bestormde de bestsellerlijsten met een sierlijke bloemlezing van Annie M.G. Schmidt, Cossee deed dat met Een dwaze maagd, een roman uit 1959 van de slechts in de allerkleinste kring (die in zijn geheel bestond uit de oude alleslezer Maarten ’t Hart) nog bekende Ida Simons: Een dwaze maagd. De beeldschone roman over een Joods meisje tussen de wereldoorlogen zal nu nooit meer vergeten worden, mag je hopen. Voeg daarbij de inspanningen van Lebowski (John ‘Stoner’ Williams, Bukowski, Jan Arends), het schatkamer-project van Meulenhoff en het is duidelijk hoe graag we ons wentelen in de heerlijkheid van het literair verleden. De incidentele herontdekking neemt geleidelijk de plaats in van de in brons gegoten traditie.

De heruitgaven worden gestimuleerd door de subsidies van het prachtige Schwob-programma van het Nederlands Letterenfonds, dat de scherpste financiële kantjes van het literaire schatgraven haalt. En, paradoxaal genoeg, van de crisis in het boekenvak. Want hoe ellendiger de branche, hoe groter de neiging bij alle betrokkenen – van de Stichting CPNB tot literair critici – om als mini-mecenas op te treden. Uit liefde en lijfsbehoud draait iedereen zijn kleine propaganda af. Daarvoor leent zich een mooie oude roman beter dan de vijfde of zevende pennenvrucht van een hedendaagse auteur, waar altijd wel weer wat op af te dingen valt.

Dat viel trouwens reuze mee, want 2014 was méér dan het jaar van het afscheid. Het was ook een van de betere romanjaren van de eeuw (wat zeg ik, van het millennium) tot nu toe. En niet alleen dankzij het machtige gebrul van Jeroen Brouwers (Het hout), het vileine karakter van Herman Koch (Geachte meneer M), de scherpe verhalen van Rob van Essen (Hier wonen ook mensen) of de zinderende terugkeer van Hafid Bouazza (Meriswin). Dat zijn goede boeken van goede schrijvers die hun sporen al hebben verdiend.

Daarnaast is er nog iets aan de hand in de Nederlandse literatuur. Iets opwindends: de opkomst van de jongeschrijver, geboren in de jaren tachtig of later. (De uitdrukking ‘jonge schrijver’ wordt zo vaak gebruikt dat we het inmiddels als eenwoordige soortnaam beschouwen). Voor het eerst in tijden lijkt er daadwerkelijk sprake van een nieuwe generatie. Na de Vijftigers hebben we eigenlijk alleen het Revisor-proza gehad (uitsluitend nog bekend uit de literatuurhandboeken), de Maximalen (waren die met zijn vieren of met zijn vijven?) en daarna de generatie-Grunberg, geheel bestaand uit Arnon Grunberg. Er waren wel auteurs van dezelfde leeftijd, maar van groepsvorming was nooit een spoor.

De laatste jaren kom je de jongeschrijvers (er zijn er een stuk of twintig) kluitgewijs tegen: rondom tijdschrift Das Magazin, op het jongeschrijversfeest en in de meest geliefde journalistieke vorm van deze tijd: het lijstje. Daarop staat dan eens Maartje Wortel bovenaan, of Thomas Heerma van Voss – of juist Joost de Vries en debutante Niña Weijers.

Zoals het hoort beginnen de generatiegenoten elkaar inmiddels vliegen af te vangen: Joost de Vries vatte de personages van de jongeschrijvers samen in een weinig vleiende zesvoudige afwezigheid: ‘Geen dromen, geen ambitie, geen humor, geen banen, geen vrienden en geen ambities.’

Die kwalificatie is onaardig, maar niet helemaal uit de lucht gegrepen. Zoals oudere schrijvers het graag over aftakelende moeders hebben, schrijven twintigers regelmatig over de non-descripte periode tussen jeugd en burgermansbestaan. En inderdaad zit er nogal wat doelloosheid in de personages van schrijvers als Maartje Wortel, Philip Huff en Thomas Heerma van Voss (om die drie er even uit te lichten) – doelloosheid die je de neiging geeft om de helden van deze boeken eens een schop onder de kont te geven.

Ze gedragen zich als vroegrentenierende Piketty-personages, die niet weten wat ze met hun leven aan moeten – omringd als ze zijn door materiële welstand en een wereld waarin het schijnbaar doodeenvoudig is om naar buiten te treden. Of het nu via Twitter, Youtube, DWDD of een roman is; nog nooit was het zo eenvoudig om de wereld te veroveren – of althans te bereiken. En nog nooit was het zo lastig om uit te maken wat de virtuele wereld is en wat de echte. In de banale vorm: wie schuilt er werkelijk achter de foto op Tinder? Maar voor de hele wereld geldt: hoe meer je je ervan bewust bent dat mensen onophoudelijk andere rollen spelen of zich andere identiteiten aanmeten, hoe wantrouwiger je wordt. Of beter gezegd: hoe nieuwsgieriger.

Dat maakt van de jongeschrijver een zoekende schrijver. Daarbij is zijn belangstelling eerder sociologisch dan psychologisch. In Boek van de doden van Philip Huff, Efter van Hanna Bervoets en IJstijd van Maartje Wortel gaat het onophoudelijk om de vraag wat echt is. Ze zoeken naar de waarheid, zónder ironiserende aanhalingstekens. De jongeschrijvers richten zich minder op de literaire traditie dan hun voorgangers, omdat ze druk zijn met een ander, opwindender project: het in kaart brengen van een wereld die zo snel is veranderd, dat ook de ouderen niet met droge ogen kunnen beweren dat ze hem al kennen.

Daarmee is niet gezegd dat hun boeken perfect zijn. Sterker: op alle boeken van jongeschrijvers die ik dit jaar las viel wel wat af te dingen: in stijl, in spanning, in scherpte. Want als de jaaroogst één ding duidelijk maakt, is dat schrijvers die doorzetten, worden beloond. Zie de mooie, terecht bejubelde en gelukkig ook heel behoorlijk verkopende romans van inmiddels-niet-meer-jonge-schrijvers Gustaaf Peek (Godin, held), Jan van Mersbergen (De laatste ontsnapping) en Esther Gerritsen (Roxy). Alle drie begonnen ze in de luwte, maar nu reiken ze tot bestsellerlijsten en boekenbonnen: de jury van de Librisprijs 2015 hoeft alleen nog maar het definitieve Wie van de Drie uit te spreken.

Hoewel... In een jaar waarin de oudewitteman het in de literatuur regelmatig moest ontgelden, kwam Kees ’t Hart met de roman Teatro Olimpico: meesterlijk, hypergeestig, maar ook een feilloze studie naar opportunisme en subsidiecultuur – en bovendien een vlijmscherpe analyse van hoe de traditionele, intellectualistische elitecultuur alleen nog vervormd in de buurt van het publiek kan komen. Ontdaan van zijn waarheid, gevirtualiseerd, zou je haast zeggen. Zonder verder meer details over de plot prijs te geven: Kees ’t Hart is een jongeschrijver.

Ongetwijfeld zal een toekomstige Piketty zich over al deze boeken ontfermen om zich een beeld van deze tijd te vormen. Waarna een uitgever over honderd jaar met groot vertoon van enthousiasme de beste Nederlandse romans uit 2014 als ‘literaire herontdekking’ zal presenteren. Ik kan niet wachten.

Tot die tijd hebben we de nieuwe Poëziescheurkalender. Voor uw agenda: op 12 januari, 12 februari en 14 december Kouwenaar, op 8 maart, 9 september, 15 oktober en 28 december Menkveld en op 10 april een nieuwe bundel van Leo Vroman. Al is het maar om te benadrukken dat echte dichters, al zijn ze gedoemd tot honderd jaar eenzaamheid, tóch een tweede kans krijgen op aarde.