Pakistan vraagt zich af: hoe kon het zover komen?

Kritiek uit samenleving op machtige strijdkrachten

Pakistaans meisje in New York brandt kaars voor de slachtoffers. Foto AFP

Zes jonge mannen. Ze dragen kalasjnikovs en Pathaanse gebedsmutsjes. Sommigen hebben nog nauwelijks baardgroei. Hun blik in de fotocamera is onzeker. Dit zijn volgens de Pakistaanse Talibaan de mannen die dinsdag 132 kinderen doodden op een door het leger gerunde school in de noordwestelijke Pakistaanse stad Peshawar.

„Hoe kan een iemand kinderen doden, vragen we ons af. Ze kunnen het, ze hebben het gedaan en ze zullen het opnieuw doen. Maar nog steeds durft niemand ze bij naam te noemen”, schreef de Pakistaanse schrijver Komail Aijazuddin in een bijtend artikel.

Aijazuddin fulmineert tegen de angst voor de Talibaan en tegen de complottheorieën. De daders zouden Arabisch en Oezbeeks gesproken hebben en dus geen Pakistanen zijn. „Hoe kan iemand kinderen doden? Omdat wij het ze laten doen.” Zijn boodschap: alleen als de hele natie opstaat tegen alle extremisten, niet alleen tegen de Pakistaanse Talibaan, kunnen we hen verslaan.

Maar de vraag is of Pakistan daar aan toe is. Eerder deze maand bezocht ik een ‘soefi-nacht’ in Lahore. Daar dansten jongeren op traditionele trommelritmes. Wie door de opzwepende muziek in trance raakte, al dan niet geholpen door hasj-joints, riep Allah aan. „De Talibaan zijn geen moslims, dat zijn moordenaars. Islam is liefde, vrijheid”, zeiden de jongeren. Maar menigeen stelde dat de Talibaan vermomde Indiërs waren. En dat de Amerika de terroristen bewapent.

Tijdens een interview met een bekende muziekproducent met gematigde visies en een hoge Pakistaanse militair-buiten-dienst ging het dezelfde kant op. „Het is een samenzwering van het Westen. Echte moslims doden geen moslims”, zei de muziekproducent. „Het buitenland houdt de terreur in ons land in stand. Als het nodig is, staan wij als één man voor de beslissende slag tegen India.”

In een scherp hoofdredactioneel commentaar, getiteld ‘Voor onze kinderen’, schrijft dagblad The Nation: „Iedereen, van de gewone bevolking tot de civiele en militaire leiding, is verantwoordelijk voor deze barbarij.”

Opmerkelijk is wat de krant schrijft over de strijdkrachten: „Terwijl het leger doorgaat met operaties tegen ‘de slechte Talibaan’, blijft het (…) de Afhaanse Talibaan en andere jihadi-organisaties, zoals Jamat-ud-Dawa, beschermen. Het land oogst wat het decennia lang heeft gezaaid.” Jamat-ud-Dawa wordt door India en de VS verantwoordelijk gehouden voor aanslagen in Mumbai in 2008 (162 doden).

Het is in Pakistan niet zonder risico kritiek op de strijdkrachten te leveren. Zij zijn het efficiëntste en machtigste instituut van Pakistan en grepen al vier keer de macht. Onlangs werd nieuwszender Geo TV uit de lucht gehaald nadat het de omstreden militaire inlichtingendienst ISI had beschuldigd achter een aanslag te zitten op een van zijn presentatoren.

Ook na eerdere zware Talibaan-aanslagen leek een keerpunt in de houding tegenover de extremisten op handen. Steeds echter ebde de woede weg en nam cynische berusting de overhand. Het is nu voor het eerst dat media op eigen conto zeggen wat buitenlanders al langer zeggen: door islamitische terreurgroepen te steunen die het gemunt hebben op de buurlanden Afghanistan en India, heeft het leger (via de ISI) een monster gecreëerd dat zich op Pakistan zelf heeft gestort.