Minder economie, meer filosofie

Universiteiten dienen niet alleen de arbeidsmarkt, maar zijn er ook om kennis te behouden en te ontwikkelen die meer extern effect heeft, menen Bas Jacobs, Rick van der Ploeg en Sjeng Scheijen.

Tekening Angel Boligan

Door intellectuele verdwazing over de rol die de overheid moet spelen bij de financiering van het hoger onderwijs, wordt een slachting aangericht op de universiteiten, met name bij de geesteswetenschappen. De overheid mag opleidingen met een laag privaat maar hoog maatschappelijk rendement niet laten uitsterven.

Het radicale snijden in de geesteswetenschappen is geen nieuwe ontwikkeling. Al decennia zijn universiteiten bezig opleidingen samen te voegen, curricula uit te kleden en opleidingen onder universiteiten te verdelen. Dit proces gaat blind door, zonder dat er wordt gedefinieerd welk maatschappelijk belang opleidingen hebben en zonder dat wordt bepaald welke opleidingen minimaal in Nederland aangeboden moeten worden.

Nu wil de naamdrager van een van Nederlands grootste filosofen, de Erasmus Universiteit Rotterdam, de faculteit filosofie opheffen. Elders hebben vooral kleine opleidingen, vaak taalstudies, inmiddels het loodje gelegd. De Universiteit van Amsterdam (UvA) heeft recentelijk besloten de zeis te zetten in de bacheloropleidingen geesteswetenschappen. Onder andere de volgende bacheloropleidingen kunnen volledig uit Nederland verdwijnen: Zweeds, Deens, Noors, Pools, Tsjechisch, Roemeens, Servisch en Kroatisch. Geen enkele Europese taal met minder dan 50 miljoen sprekers wordt dan nog als bacheloropleiding in Nederland aangeboden.

Deze ontwikkelingen zijn dramatisch. Universiteitsbestuurders en Haagse beleidsmakers zijn bevangen door bedrijfseconomisch fatalisme: als er geen studenten meer zijn of als het niet direct interessant is voor het bedrijfsleven, jammer maar helaas, dan sluiten we de deuren. Tot politieke beroering leidt dit allang niet meer.

Het is van groot maatschappelijk en economisch belang dat universiteiten zorgen voor hoogwaardige opleidingen voor toekomstige werknemers. Opleidingen voor een beroep kunnen in beginsel prima aan het private initiatief worden overgelaten. Werknemers zien de maatschappelijke opbrengst van hun onderwijs terug in hogere verdiensten. En universiteiten bieden opleidingen aan waar vraag naar is. Maar sommige opleidingen hebben maatschappelijke opbrengsten – zowel financieel als niet-financieel – die groter zijn dan de private. Economen spreken dan van positieve externe effecten. De universiteit bestaat daarom niet uitsluitend om de arbeidsmarkt te bedienen, maar ook om kennis te behouden en te ontwikkelen die niet onmiddellijk in klinkend privaat rendement kan worden omgezet.

Universiteiten vervullen een cruciale functie bij de instandhouding van ons culturele erfgoed. Dat omvat niet alleen onze kunstgeschiedenis, maar ook onze filosofische tradities, en, bijvoorbeeld onze ooit grote literaire vertaalcultuur. Het vereist jarenlange investeringen in mensen en instellingen om dat culturele kapitaal op te bouwen, maar kan met één pennenstreek worden weggevaagd.

De maatschappelijke welvaart omvat bovendien meer dan alleen financieel gewin, maar ook de ‘Bildung’ die in universiteiten plaatsvindt. Intellectuele vorming is bovendien economisch belangrijk. Classici en historici van topuniversiteiten als Cambridge of Harvard vinden emplooi in het bank- of verzekeringswezen, omdat zij beter met snelle veranderingen in samenleving en economie kunnen omgaan.

De mondiale, geopolitieke instabiliteit neemt toe. De veiligheidsdiensten, het leger, de journalistiek, het diplomatencorps, de internationale beleidsmakers en het bedrijfsleven vragen om veel meer hoger opgeleiden die vreemde talen spreken en bijbehorende samenlevingen en culturen begrijpen. Neem bijvoorbeeld Polen: de geopolitieke invloed van dat land groeit, de Europese Unie heeft een Poolse president (Tusk) en Polen speelt een cruciale rol in het conflict met Rusland. Op dit moment sluit de UvA de laatste bacheloropleiding Pools in Nederland. Toen de Oekraïne-crisis losbarstte, hadden journalisten en hoge ambtenaren vast graag een keer gebeld met een Oekraïne-specialist op een universiteit. Helaas, de laatste docent Oekraïens ging acht jaar geleden met pensioen.

De Nederlandse overheid moet dus veel scherper haar beleid definiëren in het hoger onderwijs. Vrijwel alle universitaire opleidingen krijgen evenveel overheidssubsidie per student – behalve technische studies en medische studies. De overheid subsidieert daarmee vele, zeer grote opleidingen waarvan positieve externe effecten onaannemelijk zijn, zoals economie, recht en psychologie. Die afgestudeerden zien hun maatschappelijke waarde hoofdzakelijk terug in hun portemonnee. Door eenheidsworst in de financiering hebben universiteiten bovendien sterke financiële prikkels om allerlei flutstudies aan te bieden, die relatief goedkoop zijn en toch studenten lokken dankzij gelikte marketingcampagnes of lage exameneisen.

Teveel studenten stromen dankzij riante overheidssubsidies in opleidingen met kleine externe effecten. En dat terwijl studies met grote externe effecten dreigen te verdwijnen door een gebrek aan publiek geld. Geld dat prima opgebracht kan worden door een wat hoger collegegeld bij opleidingen zonder evidente externe effecten. De financiering van ons hoger onderwijs is daarom economisch ondoelmatig, kostbaar en maatschappelijk verwerpelijk.

Het Nederlandse onderwijsbeleid is inmiddels doordesemd van cynisme: men kent overal de prijs, maar nergens meer de waarde van. Als niets gebeurt, dreigen de geesteswetenschappen in een doordenderend proces van consolidatie te worden vermalen. Dan wordt onze kennisinfrastructuur uitgehold, ons cultureel erfgoed verkwanseld en taant de toekomstige kwaliteit van wetenschap, overheid, diplomatie, politiek en media. Verminder daarom de overmatige subsidies op opleidingen die het makkelijk redden op de markt. En stop met het sluiten van opleidingen die het niet redden, maar wel evidente maatschappelijke meerwaarde hebben.