Column

Lekker geradicaliseerd in Arnhem

Ik werd geboren onder de neonletter W van WINKELCENTRUM PRESIKHAAF, die op het dak van onze flat aan het Cloeckplein in Arnhem stond, maar dat zeiden wij nooit. Wij refereerden aan de zijkant van de flat, waarop met een spuitbus „Presikhaaf is poep” was geschreven.

Vorige week las ik in deze krant – in het artikel De strijd in Syrië kan in Arnhem escaleren – dat daar tegenwoordig relatief veel moslimextremisten wonen, een „jihadistisch netwerk” zelfs. Tussen de middag aten die met z’n zevenen graag een broodje in het centrum.

Dat leverde daar wel eens problemen op met Koerden, van wie er in Arnhem ook relatief veel wonen. Het gebeurde allemaal in de Steenstraat, toevallig ook de straat waar ik altijd een broodje eet als ik in Arnhem ben.

In andere steden zouden ze zich over zoiets grote zorgen maken, maar in Arnhem dan toch niet. Het nieuws werd er niet eens overgenomen door de regionale kranten.

Je moet Arnhemmer zijn om dat te begrijpen. Regionaal nieuws is daar pas nieuws als je er last van hebt en dat hebben ze, zolang er geen bloed door de Steenstraat vloeit, vooralsnog niet. De burgeroorlog in Syrië is vooral ver weg.

„Wat ze daar doen, moeten ze daar weten.”

Het enige waar de winkeliers in de Steenstraat zich druk over maakten toen ik naar ‘de toestand’ vroeg, was dat ze voor de moskee de schoenen bij drukte wel op straat mochten parkeren, „terwijl wij nog geen bloemetje op de stoep mogen zetten”.

Dat was groot onrecht.

Aan zelfonderzoek werd niet gedaan, er werd meteen naar andere steden gewezen.

„Hoezo moeten ze ons weer hebben? Moeten ze in Nijmegen gaan kijken, volgens mij is het daar veel meer een broeinest.”

Kortom: Je kunt je in Arnhem radicaliseren tot je een ons weegt, geen hond die er wat van zegt.

„Prima, dan ben jij toch lekker geradicaliseerd. Dat ben ik zelf ook. Dat is dan 2 euro 95 en nog een prettige dag verder.”

Bij broodje Rico, mijn vaste adres, hadden ze nog geen geradicaliseerde moslim over de vloer gehad en ze wisten zeker dat dat ook niet ging gebeuren. „Ze blieven denk ik geen beenham.”

Mocht de oorlog onverhoopt toch komen, dan was Arnhem er klaar voor.

Humor als wapen, ik was trots op mijn stad.