Tieners moeten nog vaker op stage

Er zijn plannen om vanaf 2016 het vmbo anders in te richten. De opleidingen gaan samenwerken met het bedrijfsleven. Dat betekent meer snuffelstagiaires en bezoekjes.

illustratie tomas schats

Het leven van de vijftien- en zestienjarige vmbo’er ziet er vanaf het schooljaar van 2016-2017 heel anders uit. Staatssecretaris Sander Dekker (VVD) heeft grootse plannen: het onderwijssysteem gaat op de schop. De scholen gaan meer samenwerken met regionale bedrijven, omdat kinderen nu dingen leren waar ze niets meer aan hebben. „Sinds de introductie vijftien jaar geleden zijn de beroepsgerichte vakken nauwelijks aangepast, terwijl het vervolgonderwijs en het bedrijfsleven zich wel hebben ontwikkeld”, zegt Dekker.

„Stel je voor dat je een opleiding tot loodgieter volgt. Grote kans dat je op school leert te werken met koperen buizen, terwijl dat in de praktijk allang met kunststof gaat”, zegt een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De overheid trekt 5,5 miljoen euro uit voor het onder andere bijscholen van leraren, die de kennis van bedrijven moeten overdragen op hun leerlingen.

Het is de bedoeling dat scholen zelf bedrijven benaderen. Zij kunnen de school een financiële bijdrage leveren, hun mensen ter beschikking stellen om kennis over te dragen, of goederen zoals machines leveren. Denk aan Ahold dat kennis toetst en een leerplek ter beschikking stelt in de plaatselijke supermarkt. In ruil daarvoor krijgen zij leerlingen terug. De tieners lopen een volle werkweek stage voor een periode van drie weken, voorheen waren dat er twee. Daarnaast zijn er vijf tot zes ontmoetingen van meerdere dagen op jaarbasis. Dit alles moet uiteindelijk leiden tot een nieuwe werknemer.

Het plan is gebaseerd op een pilot met vijftig Nederlandse scholen, één daarvan is het Schoonhovens College. De school werkt inmiddels samen met honderd bedrijven, waaronder Albert Heijn, ABN Amro, maar ook kleinere dakdekkers en metaalbewerkers. Dat is een behoorlijk tijdrovende klus. „Eerst moet je op zoek naar geschikte bedrijven, vervolgens ben je dan een paar dagen met hen op stap. Zij laten de werkvloer zien, wij de school”, zegt directeur Leen Prins.

Aan de andere kant noemt hij deze constructie een grote vooruitgang. De leerlingen kunnen zich beter voorstellen wat bedrijven van hen verwachten, merkt hij. Ook de bedrijven bleken enthousiast. Harde cijfers heeft de directeur niet, maar hij baseert zich op een enquête onder leerlingen, ouders en bedrijven. „Een volgende stap is onderzoeken hoeveel procent van de leerlingen makkelijker een baan vindt dankzij dit project.”