Tien jaar draken, orcs en elfen

De online game World of Warcraft is na tien jaar nog populair. Gamerecensent Harry Hol speelde vanaf het begin, stopte, en pakte de draad weer op. Het spel is volwassener geworden.

De World of Warcraft-uitbreiding Mists of Pandaria

Ik loop door de hoofdstad van de ‘Nacht-elfen’, in de richting van een koopman. Met mijn honderd goudstukken mag ik na bijna vijftig uur spelen eindelijk een berijdbaar dier aanschaffen. Een ‘mount’, waarmee ik me veel sneller door het landschap kan bewegen. Trots neem ik plaats op mijn sabeltandtijger.

Het is 2006 en ik speel de oorspronkelijke incarnatie van het computerspel World of Warcraft. De game is dan nog maar twee jaar oud, en heeft zeven miljoen abonnees die net als ik avond aan avond via de pc inloggen en op avontuur gaan in de magische wereld Azeroth. Allemaal hebben we een abonnement van 15 euro per maand.

Tijd voor revolutie

De eerste in zijn soort is het niet. ‘Massively multiplayer online games’ bestaan al sinds de jaren tachtig, als virtuele werelden op universiteitsmainframes, beschreven door de computer (“Je staat in een donkere grot”) en genavigeerd met commando’s als ‘ga west’ en ‘pak zwaard’. Eind jaren negentig verschijnen de eerste grafische online rollenspellen, die een paar honderdduizend fans aan zich binden. Deze zijn zo tijdrovend dat het ‘gewone’ spelers afschrikt. Everquest, de tot dan toe grootste hit, adverteert met “duizend uur speeltijd”.

Wat dat betreft is World of Warcraft een revolutie, als het in 2004 door het Californische Blizzard op de markt wordt gebracht. Het spel is sneller, kleurrijker, en vraagt relatief weinig tijd om je personage te ontwikkelen. En in tegenstelling tot Everquest betekent ‘doodgaan’ niet dat je je voortgang of buit kwijtraakt.

Op de een of andere manier is het moeilijk te weerstaan om doorlopend monsters te verslaan, steeds betere wapens en uitrusting te verdienen. Het prettige gevoel van een level omhoog gaan, en de constante kans dat je een beter wapen vindt, zuigen spelers naar binnen. De game wordt een ongekend succes.

Ook voor mij zijn er dagen die beginnen en eindigden in Azeroth, met daartussen vluchtig contact met de buitenwereld.

De honger naar avontuur van al die miljoenen spelers is maar moeilijk te stillen, dus komt Blizzard met uitbreidingen. De eerste, in 2007, heet The Burning Crusade. Opeens is de in stukken geslagen planeet Outland via een magische poort bereikbaar. In 2010 nemen we het in Wrath of the Lich King in het poollandschap van Northrend op tegen de koning van het kwaad. En in 2012 blaast een reusachtige draak de oude spelwereld op, in Cataclysm, een excuus om het spel te moderniseren. Toegankelijker te maken, vooral.

Opeens is een ‘mount’ al na een middagje spelen verdiend. En hoewel het maximaal haalbare level inmiddels tot 85 is opgevoerd, kost het minder tijd om dat doel te bereiken. Een aantal fans moppert dat World of Warcraft véél te makkelijk wordt. Een echte avonturier verdient zijn sporen toch met vele, vele uren inzet?

De volgende uitbreiding, Mists of Pandaria uit 2012, introduceert een schattig nieuw volkje. Naast Mens, Orc, Goblin en andere fantasierassen kunnen spelers er nu ook voor kiezen om als Panda door het virtuele leven te gaan. „Kinderachtig!” wordt er geroepen… hoewel World of Warcraft nooit heel serieus was, met zijn vrolijke stijl en verwijzingen naar echte popcultuur.

En toen waren we Warcraft-moe

Het abonneebestand slinkt in die tijd, van twaalf miljoen tot zeven miljoen, al is niet duidelijk of dit door de Panda’s komt. Er is ook een soort Warcraft-moeheid. Spelers van het eerste uur hebben er inmiddels acht jaar op zitten, al dan niet met onderbrekingen. Blizzard ziet de game topzwaar worden: steeds meer avonturiers hebben het hoogste level behaald, terwijl de klim naar de top voor nieuwkomers een obstakel blijft.

Zelf ben ik ook afgehaakt, ik heb inmiddels wel wat beters te doen. Mijn Nachtelf Haraldir dobbert nog ergens op de golven van Azeroths oceaan, misschien wel voor altijd.

Blizzard wil verloren zielen zoals ik graag weer in de boeien, pardon, armen sluiten. Onlangs verscheen daarom de nieuwste uitbreiding, Warlords of Draenor. Ineens kun je beginnen op level 90, met 100 als maximum. Je krijgt een vliegende ‘mount’ en de beste uitrusting voor je level, en je mag meteen meedoen met de allernieuwste avonturen. Wat nou weken spelen voor een beter zwaard? Wat nou goudstukken verdienen voor een sabeltandtijger?

Het blijkt een gouden zet, want in een paar dagen springt de teller weer naar tien miljoen abonnees. Oud-spelers zien dit als hét moment om weer in te stappen, want het speelveld is weer voor iedereen gelijk. De klim naar level 100 is een gemeenschappelijk avontuur in plaats van een barrière tussen jou en je verder gevorderde vrienden.

Ook ik doe weer mee. Dit nieuwe, gestroomlijnde World of Warcraft past veel beter bij mijn huidige leven. De game houdt rekening met mijn werk en mijn relatie. Het is volwassener geworden, net als ik.