Intieme vijanden in een moeras van loyaliteiten

Israël is een voedingsbodem voor een heel eigen soort paranoiathriller. Koudeoorlogsverhalen over dubbel- en driedubbelspionnen, maar dan emotioneel en claustrofobisch. Dit gaat niet over koele schakers die hun ‘assets’ over het bord schuiven, dit gaat over twee volkeren die al hatend op elkaars lip leven. Intimfeinde.

De Israëlische thriller Bethlehem is bijna een spiegelbeeld van Hany Abu-Assads Palestijnse Oscarinzending Omar uit 2013, waar een Palestijnse adolescent door een onbezonnen aanslag in een loyaliteitsmoeras wegzakt. De plot doet ook een beetje denken aan de op IDFA getoonde documentaire The Green Prince, het waargebeurde verhaal van de rekrutering van een zoon van een Hamas-kopstuk. Dergelijke jonge ‘assets’ worden emotioneel ingekapseld door een Israëlische agent die zich als mentor opstelt. Maar dat mes kan aan twee kanten snijden als zo’n agent vaderlijke gevoelens gaat koesteren. Wie gebruikt dan wie?

In Bethlehem is agent Ravi allang in zo’n troebele situatie beland met Sanfur, codenaam Esau. Sanfur is het jonge broertje van Ibrahim, een voorman van de aan de PLO gelieerde Al-Aqsa Martelaarsbrigade die een zelfmoordaanslag door Hamas laat financieren. Zelfs wanneer Ravi ontdekt dat Sanfur achter zijn rug om geldkoerier was tussen Hamas en Ibrahim valt het hem moeilijk de jongen op te offeren. En zo krijgt Bethlehem de contouren van een noodlotsdrama, met een finale die erg op die van Omar lijkt.

In Bethlehem – en Omar – draait een schuifpuzzel van personages wantrouwig om elkaar heen, afgewisseld met spurts van intense actie. Dat is ook de dynamiek van het Israëlisch-Palestijnse conflict: inertie met groeiende wrijving, ontlading, nieuwe inertie. Waarbij Bethlehem in één opzicht superieur is aan Omar: in het helder tonen van de politieke dynamiek en haarscheurtjes tussen PLO, Hamas en Al-Aqsa Martelaarsbrigade.