Ik was als militair niet zeker dat ik nooit zou martelen

Illustratie Christo Komarnitski

We zijn allemaal geneigd de waarheid uit krijgsgevangenen te slaan en moeten leren hoe misdadig dat is, betoogt kolonel b.d. Peter Wijninga.

Naar aanleiding van het rapport van de Amerikaanse Senaat over de martelpraktijken van de CIA moest ik terugdenken aan een discussiedag door officieren die lid waren van Amnesty International in 1980 aan de Koninklijke Militaire Academie. Ik volgde daar als cadet mijn opleiding tot officier. In het eerste studiejaar werd in die tijd een discussie georganiseerd door officieren die lid waren van Amnesty International. Aan de hand van een aantal thema’s werd door die officieren en cadetten onderling gesproken over ethische kwesties die onze beroepsgroep raken. Eén van de thema’s was martelen.

Er kwam de volgende vraag aan de orde: „Stel, je hebt een vijandelijke soldaat gevangen genomen, waarvan je weet dat hij over essentiële informatie beschikt, waarmee jij een brigade van 2000 man van je eigen troepen kunt redden. Je ondervraagt hem, maar hij geeft geen kik, noemt alleen zijn rang, naam en registratienummer, zoals op grond van de Geneefse conventies verwacht mag worden. Maar jij wilt die 2000 man redden, koste wat het kost. Wat doe je dan?”

Er ontstond een levendige discussie over wat wel en niet geoorloofd is. Je zou wel mogen dreigen met geweld, als je het maar niet ten uitvoer bracht, een pistool tegen zijn hoofd zetten, anderszins treiteren, een paar ‘milde’ tikken, slaaponthouding, knipperlicht in zijn cel, al die zaken kwamen aan de orde. Uiteindelijk werd ons duidelijk dat dit neerkwam op ‘martelen’ en dus verboden was. Krijgsgevangenen mogen op geen enkele manier aan dwang worden blootgesteld om informatie te geven.

Lees verder in NRC Handelsblad: Ik was als militair niet zeker dat ik nooit zou martelen’ (€)