Ik was als militair niet zeker dat ik nooit zou martelen

We zijn allemaal geneigd de waarheid uit krijgsgevangenen te slaan en moeten leren hoe misdadig dat is, betoogt kolonel b.d. Peter Wijninga.

Naar aanleiding van het rapport van de Amerikaanse Senaat over de martelpraktijken van de CIA moest ik terugdenken aan een discussiedag door officieren die lid waren van Amnesty International in 1980 aan de Koninklijke Militaire Academie. Ik volgde daar als cadet mijn opleiding tot officier. In het eerste studiejaar werd in die tijd een discussie georganiseerd door officieren die lid waren van Amnesty International. Aan de hand van een aantal thema’s werd door die officieren en cadetten onderling gesproken over ethische kwesties die onze beroepsgroep raken. Eén van de thema’s was martelen.

Er kwam de volgende vraag aan de orde: „Stel, je hebt een vijandelijke soldaat gevangen genomen, waarvan je weet dat hij over essentiële informatie beschikt, waarmee jij een brigade van 2000 man van je eigen troepen kunt redden. Je ondervraagt hem, maar hij geeft geen kik, noemt alleen zijn rang, naam en registratienummer, zoals op grond van de Geneefse conventies verwacht mag worden. Maar jij wilt die 2000 man redden, koste wat het kost. Wat doe je dan?”

Er ontstond een levendige discussie over wat wel en niet geoorloofd is. Je zou wel mogen dreigen met geweld, als je het maar niet ten uitvoer bracht, een pistool tegen zijn hoofd zetten, anderszins treiteren, een paar ‘milde’ tikken, slaaponthouding, knipperlicht in zijn cel, al die zaken kwamen aan de orde. Uiteindelijk werd ons duidelijk dat dit neerkwam op ‘martelen’ en dus verboden was. Krijgsgevangenen mogen op geen enkele manier aan dwang worden blootgesteld om informatie te geven.

Maar dat gaf ons allen een onbevredigend gevoel. Zouden we dan 2000 van onze eigen mensen moeten opofferen door één vijandelijke soldaat te ontzien? Ging het recht op een rechtmatige behandeling van één vijandig individu boven het recht op leven van 2000 eigen mensen? Dat was precies het dilemma dat men ons voor wilde leggen.

Toen werd de discussie pas echt heftig. De meningen liepen behoorlijk uiteen op basis van absolute gehoorzaamheid aan de internationale wetgeving of absolute loyaliteit aan je eigen mensen. Daartussen zaten, zoals altijd, verschillende tinten grijs. Naarmate de discussie vorderde, groeide het grijs tot uiteindelijk voor iedereen duidelijk was hoe gevaarlijk dat grijze gebied is. En dat we allemaal geneigd zijn om de waarheid uit die krijgsgevangene te slaan. Voor mezelf moest ik erkennen dat ik deze krijgsgevangene waarschijnlijk alle vier de hoeken van zijn cel zou laten zien, wetende dat ik daarmee een ernstig misdrijf zou begaan. Maar mijn gevoel zei me dat ik daarmee 2000 eigen mensen zou redden en dat het dat waard zou zijn. Maar ook dat ik me daarvoor zou moeten verantwoorden.

De opzet van die discussiedag was geslaagd. Men wilde ons bewust van maken van het feit dat de grens tussen een correcte behandeling en marteling van krijgsgevangenen flinterdun is en dat er situaties zijn waarin je heel snel over die grens kunt gaan. Dat besef moest ons helpen die fout nooit te maken.

De discussie over de effectiviteit van de martelpraktijken deed mij aan nog iets anders denken. Van de beruchte Spaanse inquisitie – ooit door koning Filips de Tweede gebruikt om de reformatie in de lage landen de kop in te drukken – bestaat historisch het beeld dat de ondervragingen van ketters vaak tot bekentenissen leidden om maar van de pijn af te komen. Datzelfde wordt in verband met het rapport over de CIA ook gesteld. Van het wetenschappelijk onderzoek dat wordt aangehaald vraag ik mij echter af hoe het is uitgevoerd. Hebben de onderzoekers zich gebaseerd op de rapporten van de martelende instanties? Of zijn ze soms bij diverse martelpraktijken aanwezig geweest?

Gelukkig ben ik in mijn militaire loopbaan nooit in een dergelijke situatie terecht gekomen. Want tot op de dag van vandaag weet ik niet of ik mezelf in de hierboven beschreven situatie zou kunnen inhouden. Of ik inderdaad niet toch ook geweld zou gebruiken om de belangrijke informatie van die krijgsgevangene te verkrijgen, waarmee ik mijn eigen troepen zou kunnen redden. Wat ik wel heel zeker weet is dat ik daarmee bewust een oorlogsmisdrijf zou begaan en dat ik mij daarvoor voor de rechter zou moeten verantwoorden.

Een ervaren politierechercheur vertelde mij eens dat ieder mens in staat is tot moord onder de juiste omstandigheden. Ik denk dat hij gelijk heeft. Ik denk dat het ook voor martelen geldt. Stanley Milgram heeft het met zijn experiment bewezen, waarin hij, gekleed in een witte jas en met een wetenschappelijk aura, nietsvermoedende proefpersonen aan een derde persoon elektrische schokken liet toedienen, die achteraf nep bleken te zijn.

Hoe het ook zij, moord en marteling zijn misdaden. In beide gevallen dient de dader zich te verantwoorden voor de rechter.