‘Geïsoleerd en als terrorist weggezet’

Antropoloog onderzocht van nabij drijfveren van jonge islamitische fanatici.

Foto ANP

Het begon met vreedzame protesten voor moslimgevangenen. Daarna werden het protesten tegen het boerkaverbod, tegen ‘anti-moslimbeleid’, tegen democratie. Het eindigde in een massaal vertrek naar Syrië.

Martijn de Koning was er al die tijd bij. De 42-jarige antropoloog van de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit Nijmegen volgde drie jaar een grote Haagse vriendengroep, voornamelijk twintigers, die verbonden was aan de radicale groepen Behind Bars, Straat Dawa en Sharia4Holland. Veel jongeren die aan deze clubs waren verbonden, reisden hierna als jihadstrijder naar Syrië of gelden nu als jihadverdachte in een politieonderzoek.

De Koning kwam op hun bijeenkomsten en demonstraties en interviewde tientallen jongeren die erbij betrokken waren. Collega-onderzoekers Carmen Becker, Ineke Roex en Pim Aarns deden hetzelfde met soortgelijke groepen uit Duitsland en België. Hun gezamenlijke rapport, Eilanden in een zee van ongeloof, verschijnt vandaag.

Daarin staat centraal hoe het activisme van deze groepen zich heeft ontwikkeld. Martijn de Koning wijst de zogenoemde war on terror na de aanslagen van september 2001 aan als belangrijk motief.

Wat hebben aanslagen uit 2001 te maken met het ontstaan van deze netwerken?

„Ik noem deze jongeren de ‘post-9/11-generatie’. In veel van hun levensverhalen komt 9/11 terug als een belangrijk ijkpunt. Na de aanslagen hadden zij het gevoel dat zij ter verantwoording werden geroepen. Bijna alle jongens die ik sprak, noemden voorbeelden van leerkrachten of sportleiders die na 9/11 opeens vroegen: waarom staat de islam terroristische aanslagen toe? Een van de jongens zei: ‘Toen ik Bush op televisie hoorde zeggen: je bent voor of tegen ons, wist ik één ding zeker – ik was niet met de Amerikanen. Dus ja, dan zal ik wel tegen zijn.’

„De war on terror heeft hun politieke bewustwording gekleurd. De invallen in Irak en Afghanistan zien zij als bezetting door het Westen. Een aantal jongeren uit de Haagse vriendengroep wilde er destijds heenreizen om te vechten tegen deze ‘bezetters’. Zij zijn gevangengezet onder zware regimes in landen als Pakistan. Bij terugkomst vertelden zij hun vrienden over de martelingen die zij moesten doorstaan. Zulke ervaringen spelen een grote rol. Voor hen betekent democratie: het martelen van moslims.”

In het rapport wordt nog een andere factor genoemd: islamofobie.

„De groei van de PVV speelt een belangrijke rol in de opkomst van het activisme. De angst voor Wilders was echt heel groot. Ik heb het er vaak met mensen over gehad. Niet dat ze dachten dat Nederland aan razzia’s zou gaan doen. Wel was de vraag voor hen: stel nou dat moslims massaal worden lastiggevallen, komt de Nederlandse overheid dan nog wel voor ons op? Daar was in deze kringen echt serieus twijfel over. Dat Wilders in 2010 een grote verkiezingswinst boekte en in een gedoogcoalitie terechtkwam, vormde voor hen de bevestiging: zie je wel, andere politieke partijen zullen het nooit opnemen voor de moslims.”

De activistische jongeren werden op een gegeven moment uit hun eigen moskee gezet. Was dat een keerpunt?

„Dat gebeurde nadat vier van hun vrienden in 2009 een vermeende jihadreis hadden gemaakt. De As Soennah-moskee [een ultraorthodoxe moskee in Den Haag] besloot dat deze uitreizigers en hun vrienden niet meer welkom waren. De jongens voelden zich verraden. De moskee was hun thuishonk. Nu hun vrienden op reis waren geweest, zaten ze allemaal in het verdachtenbankje. Ze voelden zich onterecht weggezet als terrorist.

„Hierdoor kwamen ze alleen te staan, ze raakten geïsoleerd. Ze besloten een eigen pand te huren. Gingen zelf lezingen verzorgen. Uiteindelijk richtten ze met Behind Bars een eigen platform op en gingen demonstraties organiseren.”

Was het verstandig van de moskee om die jongeren buiten de deur te houden?

„Ik begrijp het dilemma van de moskee wel: ze stonden voortdurend in de aandacht van de inlichtingendienst. Maar ik denk dat het geen verstandig besluit is geweest. Door ze eruit te zetten, drijf je ze in een isolement. Het heeft veel woede losgemaakt. Ieder jaar als het weer zolang geleden was dat ze eruit waren gezet, werden er weer opmerkingen over gemaakt. Dat het verraders waren, bij de As Soennah-moskee.”

Buiten de moskee moesten ze het vooral doen met internetpreken. Volgens het onderzoek was vooral de jihadistische prediker Anwar al-Awlaki populair.

„Hij is nooit veroordeeld voor terrorisme en toch is hij gedood door de Amerikanen, met een drone-aanval in Jemen in 2011. Voor de Haagse groep staat hij symbool voor de onschuld van moslims en de wreedheid van het Westen. Eén lezing die hij in 2008 gaf, wordt in het bijzonder geprezen. Hierin zegt al-Awlaki dat mensen die de profeet Mohammed beledigen, gedood moeten worden. Dat ondubbelzinnig harde standpunt kwam echt aan bij deze groep. Meerdere jongeren zeggen dat die lezing voor hen een eyeopener was. Die boodschap zou ook voortdurend blijven terugkomen op demonstraties: ‘Afblijven van de profeet.’ Men wilde dat de islam met rust gelaten zou worden.”

Uiteindelijk is het tegenovergestelde gebeurd: hun ideologie is onder een vergrootglas komen te liggen en er zijn allerlei maatregelen genomen om jihadstrijders aan te pakken nadat velen van hen waren afgereisd naar Syrië.

„Ja. Wat ze gedaan hebben is zo hard mogelijk met hun vuist op tafel slaan. Zo hard, dat iedereen nu bezig is met het welzijn van de tafel. Niemand heeft het meer over de voorgeschiedenis van die vuist. Niemand is gaan nadenken over hoe het komt dat groepen zich afkeren van deze samenleving, en of die militaire interventies in het Midden-Oosten eigenlijk wel zo handig waren. Hun acties hebben nooit tot enige serieuze discussie geleid over de achtergronden daarvan. Dat is de tragiek van deze groep.”