Column

Geboren spreker

Verlegener Nobelprijswinnaar van de literatuur dan Patrick Modiano zal er zelden zijn geweest. Op de beelden van de uitreiking, vorige week in Stockholm, stond hij zichtbaar te lijden onder het pontificale eerbetoon.

Hij zocht weinig oogcontact met het publiek terwijl hij zijn drie kwartier durende rede voorlas. Daarna duurde het tien pijnlijke seconden voordat duidelijk werd dat hij uitgesproken was. Het daaropvolgende applaus onderging hij met een verontschuldigend lachje en met veel ik-kan-het-ook-niet-helpen-mimiek. Toen zijn vrouw zich bij hem voegde, bleef hij op het podium staan, zodat hij hoog boven haar uittorende.

Gelukkig had hij zelfkennis genoeg om al in het begin van zijn rede een verklaring te geven voor zijn schutterigheid. „Dit is de eerste keer dat ik voor zo’n groot publiek een toespraak moet houden, en ik heb er een ietwat angstig gevoel bij. Maar een schrijver – althans, op z’n minst een romanschrijver – heeft vaak een ongemakkelijke verhouding met het gesproken woord.”

Hij legde uit dat een schrijver meer talent heeft voor het geschreven woord. „Hij spreekt aarzelend omdat hij eraan gewend is zijn woorden te schrappen.” Bovendien rekende hij zich tot een generatie kinderen die van ouderen zelden de gelegenheid kreeg om uit te praten.

Allemaal tot je dienst, dacht ik toen ik dit las, maar toch had ik ooit diverse schrijvers beluisterd die het gesproken woord wel degelijk voortreffelijk beheersten. Neem Hermans, Reve, Mulisch, Wolkers, Haasse - om mij even tot de vorige generatie te beperken; die waren allerminst op hun mondje gevallen.

Een nog beter voorbeeld is al veel langer dood: Multatuli. Die begon steeds meer te floreren tijdens zijn lezingentournees in de laatste tien jaar van zijn leven.

„Voordracht hier best!” schreef hij op 26 maart 1878 aan zijn vrouw Mimi vanuit Zierikzee. „Ik begin ’t nu voor goed te leeren, en ’t kost me niets. Ik ben nooit minder geagiteerd dan bij ’t optreden en vóór dat uur.’t Heeft inderdaad iets tooverachtigs. (…) Ikzelf begrijp ’t niet. En zonder inspanning. Ik wil pauseeren om 9 uur, maar ’t wordt altijd later en dan heb ik ’t land aan de lange pauze. Gister was ’t weer over halfelf toen ik ophield, en had met pleizier doorgegaan, nog uren lang! Ik geef me volstrekt geen moeite. ’t Is net of ik ’t ’n ander laat doen, en er werkloos bij sta. ’t Succes was groot.”

Hij overdreef niet. Een onderwijzer die een lezing van hem in Groningen notuleerde, schreef dat hij het publiek betoverde. „Het was ’n schitterend vuurwerk van geest en vernuft.”

In Veendam kreeg hij het wel aan de stok met het publiek dat in de pauze sigaren rookte. „’t Schijnt hier wel een café-chantant, een kroeg te zijn (…), ik beschouw een en ander als minachting tegenover mij, als te weinig waardeering; ik ben geen zanger of acrobaat, ik, die met de heiligste en innigste overtuiging spreekt over…”

Multatuli’s voordrachten waren grotendeels geïmproviseerd. Hij leunde tegen een tafeltje of stoel en maakte slechts nu en dan een gebaar. Een geboren schrijver bleek ook een geboren spreker. Waarmee ik niets ten nadele van Modiano wil zeggen, die mij een man met een heel ander karakter – veel twijfelender, bescheidener en introverter – dan Multatuli lijkt. Want dat moet je als overtuigend spreker in ieder geval hebben: een onwankelbaar geloof in jezelf.