Gatti dirigeert zijn Franse orkest zonder veel liefde

Over Daniele Gatti is nogal wat te doen geweest sinds bekend is dat hij in 2016 Mariss Jansons opvolgt als chef-dirigent bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Zijn recente optredens in Nederland kregen een bijzonder wisselende ontvangst. Samengevat is de kritiek dat Gatti het orkest te massief laat klinken en te vaak voor extremen kiest. Dat hij met zijn beweeglijkheid en gebaren veel aandacht trekt, valt ook niet goed.

Maandag dirigeerde Daniele Gatti het orkest waarvan hij al sinds 2008 chef is: het Orchestre National de France. Dat was naar het Muziekgebouw Eindhoven gekomen voor een programma met Debussy’s La Mer, het Tweede vioolconcert van Bartok en de Pastorale van Beethoven.

Maar in La Mer was van die extremen niets te merken. Gatti dirigeerde als een repetitor bij een doorloop wanneer het orkest de noten nog moet leren kennen. Hij deed geen moeite groepen uit te lichten of het orkest gas terug te laten nemen, wat leidde tot een uitvoering zonder reliëf. Maar het was niet de dynamiek die node gemist werd in Eindhoven. Wat miste, was klank.

Dat werd beter in Bartoks Vioolconcert. In het langzame tweede deel ontwaakte het orkest uit zijn slaapstand. Al was het vooral Nikolaj Znaider die indruk maakte en weer eens liet horen hoe waanzinnig goed hij viool kan spelen. Hij weet de meest abstracte maten invoelbaar te maken, de verraderlijke dubbelgrepen kosten hem geen moeite.

Beethovens Zesde was er een zonder fratsen, maar toch niet helemaal bevredigend – Gatti’s mezzo forte was stelselmatig te hard, en dat lijkt hem te typeren. Ondanks het indringende spel van Znaider bleef vooral de vlakke Debussy hangen. Een meesterwerk als La Mer verdient het niet zo liefdeloos te worden gebracht.