Een uitzonderlijk goede Hollywoodfilm

Driekwart eeuw na dato is de grootste film aller tijden weer te zien op groot doek, in glorieuze Technicolor. Het is nog altijd een film die zijn superlatieven helemaal waarmaakt.

O,te kunnen praten als die types in Gone with the Wind. Gewoon te kunnen zeggen: „Frankly my dear, I don’t give a damn” en dan weg te benen – net als Rhett Butler. Schurk, flierefuiter, charmeur.

Weet je, snoes, het kan me geen donder schelen.

Of, net zo spetterend: „Great balls of fire. Don’t bother me anymore. And don’t call me sugar” – net als Scarlett O’Hara. Harpij, verleidster. En snoes, dat ook. Niets krijgt haar klein, ze vindt er wel iets op: „I’ll think about that tomorrow.” Ja, zo troost je jezelf.

Gone with the Wind (1939) is zo’n film waarvan iedereen op zijn minst dénkt dat-ie ’m gezien heeft. Lang geleden. Of in fragmenten, in een filmquiz. Of op foto’s. Het kassucces was gebaseerd op de mythische bestseller uit 1936 van Margaret Mitchell, die putte uit de verhalen die ze in haar eigen familie hoorde. Haar grootmoeder stond model voor Scarlett. Rhett modelleerde ze naar haar eerste echtgenoot Red Upshaw, of liever, in Rhett verbeterde ze het goklustige drankorgel met wie ze trouwde.

De film is een oerfilm. Hij geldt als een van de grootste prestaties van Hollywood en er wordt per definitie in superlatieven over geschreven en gesproken. De japonnen! De vuurzee! De oranje luchten! De valsigheid! Scarlett die om een hoekje van haar zakdoek kijkt of haar tranen effect hebben! Rhett die met Scarlett in zijn armen de grote rode trap oploopt!

Je weet het dus wel, denk je. Daar gaan we weer. En groot is dan de verrassing: Gone with the Wind is voor alles een uitzonderlijk goeie film. Een denderende filmvertelling, voortgedreven door vergezichten met, inderdaad, onveranderlijk stormige hemels. Maar ook door de indrukwekkend opgeroepen benauwenis binnenskamers. Onder de vileine regie van Victor Fleming zijn alle personages dubbelzinnig en ongrijpbaar. En vooral Scarlett en Rhett werden verdiept door de acteurs die hen speelden: Vivien Leigh en Clark Gable. Je ziet ze gedurende de tien jaar die de film beslaat groeien, veranderen. Verharden en weer verzachten – als het te laat is. Je ziet hoe Scarlett wanhopig het meisje in zichzelf terugzoekt. Je ziet Rhett kwetsbaar worden door het vaderschap. Maar let ook op Leslie Howard als de saaie, deugdzame Ashley, die blijkt óók een duistere kant te hebben.

Om hen heen kneedt Fleming de andere personages, wat leidt tot vignetten met belangrijke details voor verhaalverloop, sfeer of historisch perspectief. Zo onthult de hoerenmadam in een kleine scène het trieste geheim van haar mislukte moederschap en kruipt in dezelfde adem terug in de schulp van haar fatalisme. Ze symboliseert de vrouw die het zich allemaal anders had voorgesteld. De vrouw die je in die dagen snel werd als je niet oplette, niet snel schaakte en niet direct je schaapjes op het droge trok via het eerste het beste huwelijk.

Zonder spatten of kabels

Gone with the Wind is regelmatig opnieuw vertoond, maar dit keer is het in de digitaal gerestaureerd versie van het British Film Institute. Hij oogt als nieuw. Haarscherp, zonder spatten of kabels, met de hyperkleuren van het Technicolorsysteem in oogverblindende glorie hersteld. Sowieso is dit een film die pas in het theater tot zijn recht komt. De massascènes (feesten en oorlog) vragen om levensgroot formaat, de emoties om een donkere zaal, het verhaal om ongestoord kijken.

Daar gaat hij van start. Scarlett O’Hara verdeelt kirrend haar gunsten. Ze is de klassieke southern belle. Ze ontmoet Rhett Butler, en die oerknal wordt gemarkeerd door dit verbale duet:

Scarlett: „Sir, you are no gentleman.”

Rhett: „And you, Miss, are no lady.”

Ze hebben allebei gelijk. Ze zijn heer noch dame. Ze zijn anders. Ze zijn meer.

Rhett valt meteen voor Scarlett. Scarlett ook voor hem, maar zij wil dat niet weten. Uit koppigheid en gekwetste trots blijft ze een man najagen die haar niet wil, terwijl ze van Rhett houdt. Precies dit anti-romantische element verheft deze film. Scarlett en Rhett zijn voor elkaar bestemd. En ten slotte krijgen ze elkaar – niet. The End.

Het haat-liefdesverhaal van Scarlett O’Hara en Rhett Butler is het halve verhaal. De andere helft geeft een ongebruikelijke indruk van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865). De afschaffing van de slavernij is de inzet van de strijd, maar daar worden weinig woorden aan vuil gemaakt. De overwinnaars krijgen we niet te zien. Schrijfster Margaret Mitchell vertelde aan haar biograaf hoe ze pas als puber ontdekte dat haar familie de oorlog had verloren – zo heldhaftig waren de familieverhalen over haar grootvader en zijn vrienden.

Gone with the Wind gaat over de verliezers. Over hun wereld die instort. Over hun trauma’s, hun aanvaring met een nieuwe werkelijkheid. De Nederlandse titel ‘Gejaagd door de wind’ suggereert dat de personages als stofjes door het leven geblazen worden en dat klopt. Maar de titel ‘Gone with the Wind’ suggereert veel meer. Hij betekent: met de wind verdwenen, en dat slaat op de val van The South. Op het verdwijnen van de tradities in de Zuidelijke Staten van de VS. Op het verdampen van hun Europees-aristocratische elegantie. Hij verwijst naar de voltooid verleden tijd van de quasi-adellijke families en hun plantages. De Duitsers zaten goed met hun vertaling Vom Winde verweht – alles is verdwenen.

Hun weelde, hun slaven

Voorjaar 1861. „War! Isn’t it exciting, Scarlett?” Scarletts aanbidders zijn vervuld van testosteron en overmoed. Zij heeft die jonge-stieraandacht liever voor zichzelf: „Fiddledeedee! War, war, war; this war talk is spoiling all the fun at every party this spring.”

Maar nu deint ze nog over het landgoed Tara, een rijke katoenplantage in Georgia. We ontmoeten haar familie. Hun entourage. Hun weelde. Hun slaven. En dan gaat het even mis, voor de hedendaagse kijker. Die denkt onherroepelijk aan 12 Years a Slave (2013), de film waarmee Steve McQueen de uitzinnig wrede realiteit van het slavenbestaan etste. De zwarte landarbeiders in de brandende zon, het tot huisdiergedrag veroordeelde huispersoneel, de rechteloosheid, het zit allemaal ook in Gone with the Wind. Maar nu valt op hoe onbewogen daar in 1939 overheen werd gestapt, en hoe de slavernij naar behoeven idyllisch werd ingekleurd. Op Tara is men ‘goed’ voor zijn slaven, is de boodschap. Scarlett heeft ontzag voor haar zwarte kindermeid Mammy (gespeeld door Hattie McDaniel, zij kreeg voor haar rol als eerste zwarte acteur een Oscar). Maar tegen het, karikaturaal onnozele, dienstmeisje Prissy scheldt ze: „Schiet op of ik verkoop je.” Grapje.

Scarlett O’Hara is een opportunist. Ze is kil en zelfzuchtig. Ze trouwt drie keer, telkens om de verkeerde reden – wraak of geld of een combinatie van die twee. Maar is ze slecht? Dat is nog maar de vraag. Ze is, alles bij elkaar, het product van een cynische opvoeding. Zo doordrongen van haar lichaam als haar enige kapitaal, dat ze als de dood is voor seksualiteit. Prachtig is daarom de scène na een echte liefdesnacht met Rhett – die hij haar ontfutselt door haar min of meer te verkrachten, wat hij als zijn goed recht ziet. Het pakt goed uit. Blozend wordt ze wakker, als een krols poesje rekt ze zich uit – discreet gefilmd? Alleen in technische zin. Je ziet niks, de censuur had niks te klagen. Maar je weet dat Scarlett nu weet hoe fantastisch seks kan zijn.

Kijk opnieuw en zie hoe goed Gone with the Wind het doet als vrouwenfilm, zoals ze tot in de jaren vijftig nog in overvloed gemaakt werden, maar sinds de jaren zestig nauwelijks meer. Alles wat er gebeurt, vertelt hij uit het perspectief van de vrouwen. Gaat hij over de oorlog dan verplaatsen we ons niet naar het slagveld maar naar de ziekenbarakken, waar Scarlett zich opwerpt als verpleegster. En walgend opstapt. Sorry, dat gesterf, daar heeft ze geen zin in.

In de nasleep van de strijd zien we de carpetbaggers, de gesjochten gelukszoekers uit het Noorden die plunderend langs de dorpen trokken, in de hoop de weduwes te beroven en zo mogelijk ook even aan te randen. Scarlett betrapt er een en knalt hem zonder pardon af. Dat klinkt heldhaftig, maar een held is ze niet. Als het even kan loopt ze weg. Wel is ze meestal kwaad en gewend om haar zin te krijgen, en dat maakt haar onverschrokken. Hoogmoed transformeert in moed en zo is ze, met een omweg, tóch heldhaftig. Tot vechten bereid, in het strijdperk van het leven.