Droomfabriek voor avonturiers

Die Schwarze Natter (Een gevaarlijke vrouw, Frans Hofer, 1913) Desmet Collection, Eye Filmmuseum

Staren naar gezichten die terugstaren, naar exotische volkeren of extatische diva’s die met heel hun lichaam hun verdriet vormgeven. Ruim een eeuw oude, biologerende beelden schreeuwen op grote beeldschermen om de aandacht: een als man verklede vrouw in een luchtballon, een heerschap belaagd door een soepel geanimeerde geestverschijning, de dromen van een man in splitscreen, het leven van Jezus in statige, mooi ingekleurde tableaus.

Zo balt de tentoonstelling die filmmuseum Eye aan filmpionier Jean Desmet wijdt, de enorme rijkdom van zijn filmverzameling in één oogopslag samen. Niet voor niets luidt de ondertitel De avontuurlijke jaren van de film (1907-1916). Dat is niets te veel gezegd. Begin twintigste eeuw was cinema een nieuw medium waarmee volop geëxperimenteerd werd. De filmtaal zoals we die nu kennen was nog niet uitgekristalliseerd, cinema was een creatieve broedplaats. Het waren vrolijke jaren waarin alles door elkaar liep: fictie en non-fictie, genres. Er werd gespeeld met kleur, muziek en filmtechnieken, beelden werden via de microscoop of röntgenapparatuur gefilmd om wetenschap en film te laten samensmelten.

Het merendeel van de geselecteerde filmpjes is in Eye integraal op de beeldschermen te zien, en hoewel ze kort zijn is het de vraag of veel mensen hier de tijd voor zullen nemen. Wint geduld het van jachtigheid? Gelukkig is er om de week ook een uitgebreid filmprogramma te zien, wellicht een geschiktere context om deze boeiende films tot je te nemen.

Van kermis naar bioscoop

Een nevenzaal reconstrueert een kundig samengesteld filmprogramma zoals dat een eeuw geleden in een van Desmets bioscopen draaide. Entrepreneur Desmet vertegenwoordigt een scharnierpunt in de filmgeschiedenis. Hij maakte bewust de overgang van het vertonen van films op kermissen, in circustenten, naar speciaal gebouwde, luxueus ingerichte bioscopen. Een periode waarin het vrij nieuwe medium vaste voet aan de grond kreeg en respectabeler werd. Wat in 1905 nog vulgair kermisvermaak was voor de lagere klasse, was een decennium later al verantwoord amusement voor de middenklasse. Dit kwam vooral door de Franse productiemaatschappij Film d’Art, waar Desmet ook films van aankocht, die bekende toneelacteurs als Sarah Bernhardt engageerde om in filmbewerkingen van beroemde toneelstukken te spelen. Ook de Italiaanse divafilms, melodrama’s met expressief spelende actrices, droegen bij aan het idee dat cinema een kunstvorm kon zijn.

Het is de periode die rond 1915 uiteindelijk resulteert in de verhalende speelfilm met een lengte van anderhalf uur of langer. Een misschien wel betreurenswaardige normalisatie van de filmindustrie was het gevolg, met regels die eigenlijk nog steeds van kracht zijn: filmtechnieken moeten zoveel mogelijk onzichtbaar zijn en niet de aandacht op zichzelf vestigen, personages dienen te voldoen aan een rudimentaire psychologie, montage moet vloeiend en logisch zijn en tussentitels en/of explicateur zijn dienstbaar aan het verhaal. Live gespeelde muziek zorgt voor sfeer en ondersteunt de emotie van de scène. De wilde jaren zijn in 1915 definitief voorbij, de artistieke vrijheid voorgoed ingeperkt. De kiem van het wereldwijd dominante Hollywoodsysteem ligt in die jaren, ook met dank aan de Eerste Wereldoorlog, die ervoor zorgt dat de meer op artistieke experimenten ingestelde Europese filmindustrie instort en nooit meer helemaal de oude wordt.

Modernistische experimenten

Een van de kernpunten van de tentoonstelling wordt explicieter verwoord in de catalogus dan op de tentoonstelling zelf: het idee dat de films tussen 1907 en 1916 helemaal niet ‘primitief’ zijn, zoals vaak gedacht wordt, maar door hun modernistische experimenten juist nog steeds fris en actueel ogen en opvallende parallellen vertonen met de hedendaagse experimentele cinema. Die staat immers ook (of nog steeds) in het teken van het zoeken naar de grenzen van het medium via experimenten die de zogenaamd vanzelfsprekende regels en conventies van het medium blootleggen.

Deze parallel tussen heden en verleden komt echter nauwelijks uit de verf: wie de catalogus niet leest, zal het waarschijnlijk missen – de toelichting in de zaal is buitengewoon summier. Het is bovendien een historiografische invalshoek die niet heel actueel of origineel is. De parallel tussen avant-garde en de vroege jaren van de cinema werd begin jaren tachtig door een nieuwe generatie filmhistorici uitgewerkt en in de jaren erna verfijnd. Een ontwikkeling die het Filmmuseum, de voorloper van Eye, indertijd ook op de voet volgde. Wie boven de veertig is en weleens het Filmmuseum bezocht, zal de deelthema’s van de tentoonstelling herkennen: kleurgebruik, de divafilm, de rol van muziek, de vage grens tussen fictie en documentaire, de exotische blik op andere culturen en de rijkdom aan Europese filmvormen, inclusief slapstick en animatie.

Wel is alles uit de nalatenschap van Desmet nu voor het eerst in samenhang te zien, al wordt ook dit niet expliciet gemaakt. De tentoonstelling herbergt fraaie affiches, correspondentie uit het bedrijfsarchief, een brede variëteit aan films en filmvormen en enkele stills. Genoeg om je te verwonderen aan de wilde jaren van de vroege cinema. Maar je wordt pas echt enthousiast over die avontuurlijke jaren als je de films zelf ziet. Het liefst zoveel mogelijk. Elke week zal een speciale gast een thematisch filmprogramma toelichten, daarnaast is er twee keer per maand een Cinema Concert met live muziek.